Wat als je door zwaar hersenletsel niet eens meer weet hoe je pasta moet koken, maar je weigert op te geven? In deze aflevering van Onder Druk spreekt Amber met Winnifred Noorlander over haar ultieme mentale en fysieke comeback.
Winnifred was een succesvolle TU Delft-studente met een eigen start-up, tot twee klappen op haar hoofd haar leven volledig stillegden. Artsen vertelden haar na een jaar dat ze met de klachten moest leren leven, maar Winnifred weigerde zich daarbij neer te leggen.
Als ultieme test voor haar herstel besloot ze het Engelse Kanaal over te zwemmen. Een bizarre tocht van 17,5 uur in de vrieskou.
Lees hieronder het transcript van deze aflevering.
Amber Brantsen: Het leek alsof je alles had. Je was een excellente student aan de TU Delft, je trainde voor triatlons en je had je eigen biotech-startup. Het ging je helemaal voor de wind. Toen kreeg je een dubbele hersenschudding; je was pas zevenentwintig.
Winnifred Noorlander: Ja, eerst viel ik met mijn hoofd op het ijs en drie maanden later werd ik aangereden door een auto. Toen stond mijn leven volledig stil. Op zich was dat nog oké, omdat ik toen de hoop kreeg van artsen: “Het komt wel weer goed, doe even rustig aan.” Maar na een jaar rustig aan doen, kom je terug en krijg je te horen: “Je moet je klachten maar accepteren.” Dan stort je wereld echt in. Want hoe bedoel je, mijn klachten accepteren? Ik ben zo jong en de kwaliteit van leven is nu zo laag. Ik moet uren sparen om energie te hebben. Als mijn vriend thuiskomt na zijn werk, kan ik hem vragen hoe zijn dag was, maar ik heb eigenlijk te weinig energie om het antwoord te begrijpen. Onder druk staan heeft voor mij daardoor heel erg de referentie van bijna do-or-die. Beter worden, of ja… wat blijft er nog over om voor te leven?
AB: Dat is best wel een heftige uitspraak, meteen zo vroeg in de podcast.
WN: Ja. Wauw. Maar dat is het gewoon. Alles, mijn hele leven, hing ervan af. Dat is wat onder druk staan voor mij betekent.
AB: Je zegt inderdaad: twee klappen. Het is bijna onvoorstelbaar. Als je een filmscript zou schrijven, zou het een slecht script zijn: eerst die val op het ijs, dan een aanrijding. Als ik jou in die tijd had ontmoet, in de zomer van 2021, wie zou ik dan voor me hebben gehad? Wat zou ik zien?
WN: Ik denk dat je me niet had ontmoet, want ik zat thuis. Zelfs mijn vrienden kon ik eigenlijk niet langer dan tien minuten zien. Ik vergat vaker namen. Sinds de middelbare school is al mijn opleiding tweetalig geweest en ik ben veel in het buitenland geweest, maar ik wist het Engelse woord voor lepel niet meer. Dan keek ik naar die lepel en dacht ik: geen idee hoe dit heet. Ik had 24/7 hoofdpijn en tinnitus. Al het licht dat binnenkwam was overweldigend. Ook in de supermarkt; dan ging ik daarheen met het idee om pasta te koken. Maar als ik daar stond, kon ik echt niet meer begrijpen welke ingrediënten er in een pasta met rode saus gingen.
AB: Zo.
WN: Dus ik denk dat je mij niet had gezien. Ik zat thuis op de bank met de gordijnen dicht.
AB: En hoe is dat mentaal voor je? Had je door hoe slecht het met je ging?
WN: Ik denk dat dat het allerergste was. Je weet dat het allemaal niet klopt, maar niemand kan je uitleggen wat er met je aan de hand is. Je raakt het zelfvertrouwen in je lijf kwijt, want heel veel dingen die je kon, zoals pasta koken…
AB: Ja.
WN: …of trainen voor triatlons, lukten niet meer.
AB: Die lat lag bij jou ook wel hoog. Het klinkt alsof jij ten volste leefde. Honderd procent, tweehonderd procent.
WN: Ja, ik ging daar vol voor. Ik had heel veel levenslust en zag altijd de mogelijkheden en kansen in dingen. Dat heeft mij uiteindelijk ook geholpen om beter te worden. Ik dacht namelijk: dit gaat zo niet. Dit kan ik niet accepteren. Zo kan ik niet leven. Dit gaan we niet doen. Dit kan niet. Dit is niet goed genoeg voor mij.
AB: Nee.
WN: Er stond zoveel druk op dat ik echt dacht: deze kwaliteit van leven is zo laag, ik ben zo jong… het kan gewoon niet.
AB: Ergens was je er dus ook van overtuigd dat er wel een oplossing was. De artsen zeiden “accepteer het”, maar dat wilde en kon je niet. Je was ervan overtuigd dat het beter kon worden.
WN: Dat wist ik op dat moment nog niet zeker, maar ik dacht in ieder geval: dit kan ik niet accepteren, dus ik ga er alles aan doen om het tegendeel te bewijzen. Daarnaast had ik mijn eigen biotech-startup, Exculture, waarin we vanuit bacteriën bloedverdunners maakten in plaats van uit slachtafval. Dat was een startup die erg gebaseerd was op R&D. Dus ik dacht ook: het kan zijn dat de artsen het nu niet weten, maar dat betekent niet dat het uiteindelijk onmogelijk is. Ik ga gewoon op zoek en ik doe alles wat ik kan. Niets ten nadele van artsen overigens, dat wil ik gezegd hebben. Het is uiteindelijk hun baan en ze moeten zoveel ziektebeelden behandelen dat het onmogelijk is om altijd van alles up-to-date te zijn. Iedereen doet zijn best, maar dat was op dat moment helaas voor mij niet genoeg. Er zijn honderdduizend mensen die jaarlijks in Nederland een hersenschudding krijgen, en tien tot dertig procent houdt langer dan een half jaar klachten.
AB: Dat is veel.
WN: Ja, en die mensen kwamen uiteindelijk stuk voor stuk bij mij — niet alle dertigduizend gelukkig, dat is een heel stadion vol — maar er kwamen er wel steeds meer langs toen ze hoorden dat ik beter was geworden. Ze hadden allemaal hetzelfde verhaal: “Er wordt mij verteld om rust te houden en op een gegeven moment moet ik mijn klachten accepteren.” Ook de huidige revalidatiecentra en de vergoede zorg in Nederland focussen heel erg op het accepteren van klachten. Terwijl ik ondertussen weet, en de wetenschap bewijst dat ook, dat als je mensen de juiste kennis en cognitieve trainingen geeft, je gewoon beter kunt worden. Dan hoeft maar vijf tot zes procent langdurig klachten te houden. Toen dacht ik: er zit jaarlijks een heel voetbalstadion vol mensen, vaak jonge hoogopgeleide vrouwen, voor niks thuis. In een klein wereldje vol eenzaamheid, pijn en verdriet, hun leven kwijt, terwijl het zo simpel op te lossen is met kennis. Dat wil ik veranderen.
AB: Is dat dan ook de engineer in jou die iets wil ontwerpen om het op te lossen? Want eigenlijk zegt de arts dat het niet op te lossen is, en jij gaat toch een weg zoeken.
WN: Ik ben best koppig. En dat helpt in dit geval.
AB: Ja. Want wat deed je dan? Wat was je volgende stap?
Spreker 3: Hoi, ik kom heel even tussendoor. Winnifred vertelt zo meteen natuurlijk alles over die barre overtocht, het overzwemmen van het Engels Kanaal en een aantal uur overgeven op open zee. Ik moet er niet aan denken. Maar, ik heb jouw hulp nodig. Want 98 procent van de kijkers van Onder Druk blijkt niet geabonneerd te zijn. Meer abonnees betekent groei voor het kanaal en dat betekent ook dat ik de tofste en meest inspirerende gasten voor jou kan uitnodigen. Dus alsjeblieft, druk op die abonneerknop, dan kunnen we samen groeien. Snel terug naar Winnifred.
WN: Ik ben heel veel mensen gaan interviewen die beter waren geworden. Toen bleek dat er in Amerika een behandelmethode was, Cognitive FX. Niet iedereen werd daar beter overigens, ongeveer zeventig procent. Ik ben hen gaan vragen hoe dat in elkaar zat, welke oefeningen ze deden en welk effect dat had. Uiteindelijk ben ik dat een week lang in mijn woonkamer gaan nabootsen. Ik had al moeite met de vaatwasser uitruimen, daar werd ik moe van, dus ik kon me niet voorstellen hoe ik naar de andere kant van de wereld moest vliegen voor een behandeling. Daarnaast was ik die startup kwijt en had ik geen baan, dus ik had geen inkomen. Die behandeling kostte vijftienduizend euro.
AB: Dat is onhaalbaar.
WN: Toen dacht ik: dat gaat hem niet worden.
AB: Nee. Oh.
WN: Dus dan probeer ik het maar zo. Zelf doen.
AB: Ja, dan maar zelf. En wat deed je dan zelf? Wat waren de oefeningen?
WN: Het gaat heel erg om multitasking. Dit is leuk voor iedereen, want zo kan iedereen zijn brein trainen. Je wilt gaan multitasken tot het moment dat je het eigenlijk net niet meer kunt. Op het moment dat je vastloopt, zo van “ik weet het niet meer”, dat is wanneer je je hersens traint.
AB: Ah, want ze zeggen altijd dat je per definitie niet kunt multitasken. En dat mannen het al helemaal niet kunnen, zeggen ze ook. Maar dat is gewoon het verhaal, ik weet niet of het waar is. Je kunt dat dus wel trainen?
WN: Ja. Je wilt focussen op allemaal verschillende zintuigen: licht, geur, geluid, balans, misschien zelfs aanraking. Als je een hersenschudding hebt of overprikkeld bent — dat kan ook een burn-out zijn — dan kan je niet meer zoveel verschillende prikkels tegelijkertijd aan. Dan kan zelfs het buitenlicht al een te intensieve prikkel zijn. Door die multitask-trainingen zorg je er eigenlijk voor dat je prikkelgrens stapje voor stapje weer een beetje oprekt en dat je die prikkels weer aankan.
AB: Ja.
WN: Dit konden dingen zijn als op één been staan met de muziek heel hard aan. Ik zette dan Kinderen voor Kinderen aan.
AB: Goede keuze.
WN: Mijn dochter van vier zou dit goedkeuren. Dat is best wel prikkelende muziek. En dan ging ik bijvoorbeeld een zin achterstevoren zeggen, of ik nam categorieën zoals meisjesnamen en ging die op het alfabet af.
AB: Ja.
WN: Je maakt het eigenlijk steeds een stukje moeilijker, totdat je het net niet meer kunt.
AB: Even een paar stappen terug. Wat gebeurt er nou eigenlijk als je een hersenschudding hebt? Wat gaat er mis of stuk?
WN: Tenzij je echt hersenschade ziet op een foto, gaan je hersenen in de basis niet stuk. Ik zeg eigenlijk: ze hebben een foutieve software-update gehad.
AB: Oké. Nou ja, in de Formule 1 hebben ze ook weleens verkeerde updates.
WN: Precies, dan moeten ze hem weer terugdraaien. Eigenlijk heb je een foutieve software-update gehad waarbij tijdelijk de weg van informatie is verstoord. Stel dat je normaal van A naar B over de snelweg rijdt, waar heel veel auto’s en prikkels overheen passen. Maar die weg is tijdelijk opgebroken of er is onderhoud. Dus besluiten al die auto’s om te rijden via punt C, over de landweggetjes naar punt B. Dat betekent dat er veel meer auto’s over een veel smallere weg moeten, en het duurt ook nog eens langer omdat die weg langer is. De informatievoorziening wordt verstoord. Je denkt wat trager en al snel heb je file aan prikkels. Dat is die overprikkeling. Wat je met zo’n cognitieve multitask-training doet, is heel hard werken om die blokkade op de snelweg weg te werken. Er zit dus geen daadwerkelijke hersenschade; het lijkt wel alsof je iets verleerd bent. Zo voelt het een beetje.
AB: Even in jouw brein duiken, want je komt van de TU…
WN: Mijn favoriete plek.
AB: …dus jouw brein was een groot onderdeel van je identiteit, van hoe je denkt, bent en in het leven staat. In een snelle ronde ben ik benieuwd: ben je meer van het plannen of van het improviseren?
WN: Improviseren. Nee, ja, weet ik niet.
AB: Oh.
WN: Want ik improviseer graag, maar dat doe ik pas als ik alle plannen van tevoren aan de achterkant heb afgekaart.
AB: Je wilt wel je huiswerk doen.
WN: Ja.
AB: Dat geeft een fijn gevoel. Dus dan houd je ook van controle.
WN: Ja.
AB: Data of intuïtie?
WN: Oh! Ja, daar zit weer een bepaalde volgorde in. Eerst data, dan intuïtie.
AB: Winnen van jezelf of van de competitie?
WN: Van mezelf.
AB: Alleen of samen?
WN: Samen.
AB: Bouwen of repareren?
WN: Bouwen.
AB: De finish halen of genieten van de tocht?
WN: Genieten van de tocht. Die is nieuw.
AB: Ja?
WN: Voor mijn hersenschudding had ik daar echt anders op geantwoord.
AB: En hoe kan dat?
WN: Ik was daarvoor denk ik meer prestatiegericht en genoot wat minder van de weg ernaartoe. Tijdens mijn hersenschuddingherstel kon ik geen vaste doelen meer stellen. Ik kon niet zeggen: “Volgend jaar doe ik X, Y, Z”, want ik had veel minder controle over hoe dat proces ging verlopen. Het enige waar ik controle over had, was mijn input leveren en zorgen dat ik iedere dag het beste deed wat ik kon, ook al was dat soms maar tien procent van de geplande training. Daarnaast realiseerde ik me heel erg hoe kort het leven is en hoe snel het voorbij kan zijn. En dat je er wel wat meer van mag genieten.
AB: Dus je kon milder zijn voor jezelf.
WN: Ik ben veel milder geworden, ook naar anderen toe.
AB: Ook fijn voor de omgeving, moet ik zeggen. Dat heb ik namelijk ook. En dan neem je dus hele kleine stapjes in die training. Wanneer dacht je: dit gaat werken?
WN: Op dag drie. Echt waar. Ik heb één oefenweek gedaan in mijn woonkamer waarbij ik al mijn vrienden had betrokken — daarom ook ‘samen’, ik geloof echt dat je mensen nodig hebt om mooie grote dingen te bereiken. Op dag drie in die oefenweek had ik voor het eerst in anderhalf jaar tijd geen hoofdpijn. Dat was niet lang, volgens mij maar tien minuten, heel kort. Maar toen dacht ik: “Mijn lijf is niet stuk, zie je wel!” Er vloeiden ook echt tranen van opluchting. Het kan wel. We moeten het alleen hertrainen. Het werkt.
AB: Je had de weg gevonden. Want er zijn zoveel trainingen en visies op wat er moet gebeuren.
WN: Ja, en nu lijkt het heel simplistisch: je doet die cognitieve trainingen en dan word je beter. Maar een hersenschudding oplossen is een puzzel met heel veel stukjes. Dit was slechts één van de puzzelstukjes, maar wel eentje waarvan ik zie dat heel veel mensen er wat aan hebben, ook met burn-out, long COVID, of als je heel lang in de rouw hebt gezeten of jezelf na een scheiding niet meer kan vinden. Het is gewoon een goede hersentraining.
AB: Je moet beter worden, dus je hersenen beter maken. Ik kan me ook voorstellen dat die val en die aanrijding heel veel impact hebben gehad. Ik weet niet of je het een trauma zou noemen, maar misschien wel.
WN: Ja, ik was heel bang geworden. Allereerst durfde ik niet meer te fietsen, want ik was van mijn fiets afgereden. Plus, ik had me gerealiseerd hoe kwetsbaar ik was, dus ik dacht: het kan me niet nog een keer overkomen. Maar waar mijn naarste herinneringen aan zaten, was dat alleen thuis zitten.
AB: Oh ja.
WN: Terwijl iedereen met feestdagen bijvoorbeeld ergens anders was. Op een gegeven moment, na twee jaar, wil je mensen ook niet meer thuishouden. Je wilt dat je vriend ook weer gaat leven; die heeft dat ook nodig. Dus dan zit je daar alleen thuis en je weet niet hoeveel jaar dit nog gaat duren. Dat was denk ik het allerergste.
AB: Een soort gevangenis.
WN: Ja, gevangen in je lijf en in dat huis. Je kan ook niet weg, want het is er altijd. Drieënhalf jaar na mijn eerste ongeluk dacht ik voor het eerst dat ik mezelf terug had.
AB: Wauw. Je krijgt nog kippenvel, zeg.
WN: Ja, het is zo lang. Dat is echt heftig.
AB: En ben je dezelfde? Of ben je toch anders?
WN: Nee, ik ben anders. Uiteindelijk ben ik ergens ook wel dankbaar dat het gebeurd is, omdat het mij veel goeds heeft gebracht. Zoals meer van het moment kunnen genieten, van het proces genieten, en milder zijn naar mezelf en mijn omgeving. Maar nu ook iets doen voor al die ‘hersenschudders’ die hetzelfde door moeten maken; dat je iets voor hen kan betekenen. Daar ben ik wel dankbaar voor.
AB: Het heeft het leven verdiept.
WN: Ja, het heeft het leven verdiept.
AB: En wanneer kwam je dan op het krankzinnige idee — je weet waar ik naartoe ga — “ik kan nu niet zoveel, maar ik ga straks van Engeland naar Frankrijk zwemmen”?
WN: Dat is wel een grappig verhaal. Het was 31 december 2022. Ik zat om zes uur ’s avonds alleen thuis aan de keukentafel met oud en nieuw.
AB: Dit is dus anderhalf jaar na de klap.
WN: Ja, zoiets. Ik had net die cognitieve training gedaan, dus ik merkte dat mijn lijf kon herstellen, maar ik was duidelijk nog niet hersteld. Toen zat ik dus alleen thuis aan die keukentafel, alweer. Je bent best een beetje verdrietig als je daar in je eentje zit met oud en nieuw. Toen werd ik gebeld door Richard Broer, een kanaalzwemcoach in Nederland. We hadden elkaar één keer eerder gesproken, ik was gewoon geïnteresseerd in wat hij deed. Hij zei: “Ik ga morgen de boten boeken voor 2025. Als je een goed getij wilt, laat het me morgenochtend weten.” Ik kon nog geen 25 meter zwemmen toen, zo overprikkeld was ik nog. Toen dacht ik: ik ga het gewoon proberen, want ik heb niks meer te verliezen.
AB: Je dacht meteen: ja!
WN: Ik heb er die avond wel over nagedacht.
AB: Oké, één avond.
WN: Ik moest het de volgende ochtend laten weten. 31 december voelt ook wel als het moment dat je een nieuw tijdperk ingaat. Het kwam vrij snel in mij op dat ik dacht: ik ga het gewoon doen. Het ergste wat er kan gebeuren is dat ik iets fitter ben dan nu en het niet gehaald heb.
AB: Goed punt. Maar je zou ook kunnen zeggen: er zit nogal wat licht tussen “we revalideren en pakken het leven op” en “ik zwem van Engeland naar Frankrijk”. Toch?
WN: Ik denk dat ik nog helemaal niet zo gefocust was op dat ik het daadwerkelijk moest halen, maar het gaf me sinds tijden weer iets om voor te leven wat niet “beter worden” was. Ik had op dat moment al ervaren hoe helend beweging kan zijn en wat dat met je doet als mens. Ik dacht: het gaat mijn herstel niet slechter maken. Ik kan er altijd mee stoppen. En als ik nu niet ja zeg, dan heb ik het sowieso niet gedaan.
AB: Eigenlijk geen redenen om het niet te doen.
WN: Nee. Dat dacht ik ook.
AB: Eigenlijk heel logisch. Maar je zei ook dat het vertrouwen in je lijf heel lang weg was. Had je op dat moment weer iets van vertrouwen terug dat je dacht “ik kan dit opbouwen”, of dacht je “fuck it, we gaan het gewoon proberen”?
WN: Doordat ik tijdens die oefenweek voor het eerst een moment had gehad zonder hoofdpijn, had ik dat aha-moment: mijn lijf is niet stuk, ik moet het gewoon hertrainen. Ik had er totaal niet over nagedacht of ik dit wel of niet kon. Ik dacht: ik probeer het gewoon, we zien wel. Toen ben ik gaan terugtekenen wat je allemaal moest kunnen. Dat is een beetje: wil je plannen of improviseren? Nou, dit was de planfase. Toen ik ging uittekenen wat er nodig was, bleek dat ik negen maanden later het IJsselmeer over moest kunnen zwemmen, 22 kilometer. Dat was best wel een groot gat met 25 meter kunnen zwemmen.
AB: Dat is op zich wel een uitdaging.
WN: Ik had ook geen idee of ik zo’n lange afstand zwemmen leuk vond. Ik had nooit langer dan drie kilometer gezwommen, ook niet buiten. Dus ik had geen idee.
AB: Geweldig.
WN: Toen ben ik daar gewoon met heel veel compassie voor mezelf voor gaan trainen.
AB: Dat is wel nodig inderdaad. Want je bent nog steeds herstellende, je bent nog niet de oude, en je wilt heel graag. Ik vul dit nu voor jou in, maar ik kan me voorstellen dat je denkt: “Ja! Nu weer een doel! We gaan ervoor!” en dat je dat ten koste van alles wilt bereiken. Maar dat kon dus niet.
WN: Nee. Ik had de harde les geleerd tijdens dat herstel dat als ik te hard van stapel liep, ik gewoon teruggefloten werd door mijn lijf. Dit is die angst van weer thuis komen te zitten. Ik wist één ding zeker: ik wil niet weer thuiskomen. Maar waar ligt de grens? Tot hoever kan je pushen? Het grappige is dat heel veel zaken van re-integratie, herstel en opbouw overeenkomen met sportopbouw. De schema’s die je gebruikt voor hardlopen en triatlon kun je eigenlijk ook toepassen op werkopbouw en op zwemmen. Ik ben die methode van hardlopen opbouwen heel rechttoe rechtaan gaan toepassen op dat zwemmen. Zodat ik wist dat ik niet te ver zou gaan. Daarnaast stond ik mezelf toe om gewoon uit het water te gaan als ik voelde dat ik een slechte dag had of het niet lukte. Dat was oké. Dat mocht.
AB: Dat was nieuw. Een nieuwe upgrade. Op zich werkte het.
WN: Ja.
AB: Waren er momenten dat je dacht: ik kap ermee, want dit gaat niet, ik vraag nu teveel?
WN: Nee, ik heb nooit gedacht “ik kap ermee”, want het doel was voor mij niet het IJsselmeer halen. Het doel was een mooie tijd beleven en er zoveel mogelijk uithalen wat erin zit. Sterker nog, tot een week voor het IJsselmeer wist ik niet of het me ging lukken. Ik had ook een vriendinnetje mee aan boord gevraagd die kon zwemmen. Ik dacht gewoon: als ik er halverwege uit moet, maakt zij die andere helft af. Dan hebben we een leuke dag gehad en estafette gezwommen. Prima. Het ging mij zoveel meer om weer dingen met mijn vrienden en mijn vriend te kunnen doen, me weer mens voelen, avonturen beleven en vette shit doen, dan dat het me daadwerkelijk ging om dat IJsselmeer halen.
AB: En toen zwom je dat IJsselmeer over. Hoe ging dat?
WN: Dat ging met vlag en wimpel. Ik had aangetikt na zevenenhalf uur en toen dacht ik: ik kan nog wel een stukje terugzwemmen.
AB: Nee joh! Maar oké, help mij dit begrijpen. Jij komt van “ik zit thuis, ik kan niks, ik kan een vaatwasser uitruimen en dan is mijn dag klaar”. Na zeven uur zwemmen, non-stop, geen pauze, in het ijskoude IJsselmeer, en jij denkt: “Oh, ik kan nog wel een stukje verder.”
WN: Het mooie van chronisch ziek zijn is dat je mentaal heel sterk wordt. Toevallig is marathonzwemmen tachtig procent mentaal en twintig procent fysiek. Dus ik heb een hele goede sport uitgekozen.
AB: Dat blijkt.
WN: En ik vond het ook nog eens heel leuk.
AB: Zeg alsjeblieft dat je momenten hebt gehad in dat water dat je dacht: ik vind dit nu even niet zo leuk meer.
WN: Nou, ik heb me na vier uur wel even verveeld.
AB: Je hebt je verveeld in het water?
WN: Ja, je moet je voorstellen: er ligt een boot naast je. Ik adem alleen naar rechts en die boot ligt ook aan mijn rechterkant, ongeveer twee meter van me vandaan. Het enige wat ik zie als ik relaxed kijk, is de zijkant van die boot. Die is wit of blauw, en dat verandert zevenenhalf uur lang niet. Dus die was op een gegeven moment best wel saai. Op de boot zat mijn vriend als coach. Die kijkt je de hele tijd aan voor de veiligheid, maar op een gegeven moment heb je elkaar ook wel gezien. Toen zijn we Galgje gaan spelen. Hij met een whiteboard, en ik riep iedere slag een letter.
AB: Wauw. Maar je bent toch doodmoe?
WN: Hierdoor wist ik ook: ik kan het Kanaal wel zwemmen. Dat IJsselmeer was zoveel minder zwaar dan ziek zijn op de bank en zo weinig energie hebben. Het IJsselmeer was zoveel makkelijker dan die eerste stappen van herstel. Die moeheid kan je bijna niet vergelijken.
AB: Hoe verklaar je dat?
WN: Er is een term voor: neurofatigue. Dit is zo’n lamleggende vermoeidheid. Ik kan het niet uitleggen, maar het is niet te vergelijken met iets anders. Zelfs na het oversteken van het Kanaal was ik minder moe dan toen.
AB: Zo. Dat zegt al wat. Wat geeft het water jou?
WN: Vrijheid. En je wordt er heel erg mens door. Dat klinkt apart, maar je bent heel erg één met de natuur, want je ligt in een bak met water. Je hebt niets anders om op te focussen. Het gaat niet om je kleding, je baan of welk huis je woont. Het gaat puur om steeds de volgende slag. Het is heel meditatief. Daardoor kom je ook weer een stukje dichter bij jezelf. Heel eerlijk, heel puur. Je voelt je een beetje een oermens.
AB: Je zei over dat IJsselmeer: “Na vier uur begon ik me te vervelen, dan spelen we Galgje.” Maar die anderen zitten lekker op die boot en jij moet nog slag voor slag maken. Je bent heel erg aangewezen op jezelf.
WN: Ja, maar je doet het echt samen. Zonder crew kom ik niet aan de overkant. Zij zorgen voor mijn voeding; iedere dertig minuten gooien zij een fles overboord. Zij bepalen de koers en zorgen, als ik mentaal breek, dat ik me weer oké voel. Ze zorgen voor de afleiding en medicatie mocht dat nodig zijn. Je voelt je heel veilig door hen. Door de mensen die heel dichtbij je staan op die boot te hebben, weet ik gewoon: zij hebben het beste met me voor. Ik kan letterlijk mijn leven in hun handen leggen en het komt goed. Het enige wat ik hoef te doen is zwemmen; zij fixen de rest.
AB: Jij zegt ook: “Zij zijn er voor me wanneer ik mentaal breek.” Wat kunnen zij jou dan bieden?
WN: Het Kanaal was heel taai, echt niks vergeleken met het IJsselmeer. Dat heeft zeventienenhalf uur geduurd. Je begint om twaalf uur ’s nachts te zwemmen.
AB: Waarom doe je dat?
WN: Je moet weg op een bepaald getij. Je moet tegen de stroming vechten. Als je op een verkeerd moment in eb of vloed begint, kom je gewoon niet aan de overkant. Er zit haast achter. Ik zwom met springtij, dus hele sterke stroming. Je kunt maar één of twee uur van de zes uur van een getij aan land komen. Als je dat mist, moet je wachten tot het volgende getij. Dat is vier of vijf uur extra zwemmen, want je moet door blijven zwemmen om niet de verkeerde kant op te spoelen.
AB: Even naar de momenten voordat je het water instapt. Het Kanaal is het ultieme op dat moment. Wat denk je in het kwartier voordat je dat water instapt? Je weet: ik ga 15, 20 uur in dat water liggen en ik kan niet pauzeren.
WN: Je weet niet hoe lang het gaat duren. Ik had gehoopt op 14 uur, dan had ik een goede dag gehad en geen getij gemist. Maar ik wist ook: als het niet 14 uur wordt, dan wordt het 17 à 18 uur. Ik heb al mijn training gedaan. Ook hier wilde ik het heel graag halen, maar het ging me meer om het avontuur zelf en ik had alles gedaan wat ik kon. Het heeft dan niet zoveel nut meer om je druk te maken. Ik wist: ik kan dit. En als het niet lukt omdat mijn schouder ermee ophoudt, de zee het niet wil, of de boot pech heeft… je weet het gewoon niet.
Een belangrijker moment voor mij is een uur van tevoren. Dan luister ik naar muziek met positieve teksten. Er is een nummer dat gaat: “It’s not right, but it’s okay, I’m gonna make it anyway.” Dat luister ik heel vaak op repeat. Mijn crew kent die nummers ook. Als het niet lekker gaat, bijvoorbeeld als je het getij mist en vier uur extra moet zwemmen, zeg ik dat tegen mezelf en gaat mijn crew op de boot dat nummer heel hard zingen. We maken er iets positiefs van. Ik ben ervan overtuigd dat positief kunnen denken op een moment dat alles tegenzit, je de kracht geeft om door te gaan. We hadden vooraf het grapje gemaakt: “Als ik weggespoeld word door dat getij, mag ik extra lang genieten van mijn inschrijfgeld.” Zo was uiteindelijk het moment dat ik voor die kust weggespoeld werd…
AB: Jij zag Frankrijk hè?
WN: Ik dacht na twaalf uur zwemmen: hé joh, het gaat me lukken! We lagen zo dichtbij de Franse kust. Ik ben er met een uurtje en dan heb ik het in dertien uur gedaan, echt een snelle tijd. Ik was euforisch. Ik riep naar mijn crew: “Dit is de laatste voedingsstop, toch?” Ik heb hun reactie niet meegekregen, wat bleek te zijn omdat ze niet gereageerd hadden. Ik zwom door, en opeens begon die Franse kust te verschuiven. Eerst langzaam, dan steeds sneller. En dan weet je het gewoon.
AB: En wat gebeurt er dan in jouw hoofd?
WN: Ik had het zo goed voorbereid met hoe we zouden reageren. We hebben er iets positiefs van gemaakt. Ik heb twintig minuten lang dat nummer onder water tegen mezelf gezongen en op de boot deden ze dat ook. Uiteindelijk is dit van ons allemaal het favoriete moment van de hele overtocht geweest. Ik heb hier geen moment een negatief gevoel bij gehad. Dat is wat de kracht van positief denken kan doen. Dertig procent van de mensen haalt het Kanaal de eerste keer. Van de zeventig procent die afhaakt, stopt de helft op dat moment, vlak voor die Franse kust als ze een getij niet halen.
AB: We hadden het eerder over vertrouwen in je lijf. Had je tijdens die overtocht vertrouwen in: “dit komt goed, wij gaan die overkant halen”?
WN: Ik had er alle vertrouwen in dat mijn lijf dit kon. Vanaf twaalf uur zwemmen heb ik me heel sterk gevoeld en dacht ik: het maakt niet uit hoe lang dit nog gaat duren, al duurt het nog twintig uur, ik kom dat water niet uit totdat ik in Frankrijk ben. Ik had het idee dat ik eindeloos door kon gaan. Maar dat was niet de hele tijd zo. De eerste zes uur heb ik alleen maar overgegeven en gedacht: ik wil eruit, ik wil stoppen, waarom heb ik dit in hemelsnaam bedacht?
AB: Waarom was je aan het overgeven?
WN: Ik had te veel zeewater binnengekregen. Er was een bepaald type golf waar ik niet makkelijk in kan zwemmen. Dat water weerkaatste op de boot en kwam iedere keer in mijn gezicht als ik adem wilde halen. Op een gegeven moment zegt je maag gewoon: ik heb genoeg zout water gehad, het is mooi geweest. Je gooit alles eruit tijdens het zwemmen, want je wilt geen pauzes nemen om dat getij niet te missen. Dan krijg je het koud, want je houdt je voeding niet binnen. Het was ’s nachts, donker, de luchttemperatuur was 14 graden en je ligt daar in je badpak.
AB: Geen wetsuit? Waarom niet?
WN: Ik dacht: als ik zoveel moeite doe om te trainen, dan doe ik het helemaal goed, op eigen kracht. Er zijn officiële regels voor marathonzwemmen; als je met een wetsuit zwemt, telt het eigenlijk niet en mag je je naam niet in het café in Dover krassen. Het was ook prestige. Het moet gewoon goed.
AB: Maar wat een helse beproeving zo aan het begin.
WN: Dit is de andere plek waar eigenlijk iedereen stopt. Het is koud, donker en je kunt nog niet overzien hoe lang het gaat duren. Veel mensen stoppen na drie uur. Ik had mezelf verteld: als het mentaal is, ga je er echt niet eerder uit dan die tien uur, want je weet dat je dit fysiek kan. Ik dacht: je komt er niet uit voordat je langste trainingstocht voltooid is.
AB: Dat is ook een behoorlijke druk op jezelf leggen.
WN: Je weet dat je mentaal een keer breekt als je zoiets gaat doen. Dat hoort erbij en dat vind ik ook het leuke eraan; je leert jezelf beter kennen. Als je door die deur heen stapt, kom je een nieuw deel van jezelf tegen.
AB: Wat zag je achter die deur?
WN: Ik kwam erachter dat ik veel sterker was dan ik dacht en dat pijn weer weggaat. Na acht uur had ik weer energie. De zon kwam op, het water werd vlak en ik had weer zoveel lol in het zwemmen. Ik was zo blij dat ik er niet uit was gegaan. Het water was helderblauw midden in het Kanaal, je kon metersdiep kijken. Dit was het avontuur waar ik naar op zoek was.
AB: Je zei eerder dat niet weten hoe lang iets duurt, het moeilijkste was van ziek zijn. Bij het Kanaal wist je dat ook niet. Vond je dat niet lastig?
WN: Nee, het was de bekroning op mijn werk van beter worden. Ik dacht: dit kan ik! Dit heb ik drieënhalf jaar geoefend. Dit is niet de issue. In het water bleek dat overigens wel even een issue te zijn; na drie uur dacht ik: “Oh nee!” Ik voelde me belabberd en als alles meezit, is dit nog niet eens 25 procent. Maar ik bedacht me dat dit iets is wat ik vrijwillig doe. Als ik de boot aanraak, ben ik gestopt. De maximale tijd voor het Kanaal was ooit 28 uur, dus langer dan dat gaat het sowieso niet duren. In verhouding is dat heel kort en vrijwillig. Er is een escape. Dat maakte het draaglijk. Een soort vrijwillige pijn.
AB: Stel je bent halverwege en je voelt een pijn die je niet kent, ga je door?
WN: Dat is afhankelijk van de tocht en het pijntje. Na twee uur had ik pijn aan mijn heup, wat ik nooit eerder had gehad. Dat bleek achteraf best heftig, maar door de adrenaline en cafeïne — ik drink nooit cafeïne behalve tijdens tochten — voelde ik dat minder. Na 14 uur kreeg ik last van mijn schouder waardoor ik niet meer hard kon zwemmen. Ik heb gecommuniceerd: “Ik kan nu nog een half uur hard zwemmen en dan gaat er iets stuk.” Omdat we nog ver weg waren, ben ik heel langzaam gaan zwemmen.
AB: Uiteindelijk is land in zicht. Tweede keer. En het verdwijnt niet meer. Hoe was dat?
WN: Dat was nog een debacle. Ik lag ongeveer 150 meter uit de kust vanaf een strandje, maar ik kwam niet door de stroom heen. Het getij was eerder gedraaid dan verwacht. Ik zag Cap Gris-Nez, een punt land, dichterbij komen. We wisten dat daarachter geen land ligt. Als ik die punt miste, moest ik nog een getij zwemmen. Het was inmiddels 17 uur zwemmen en de zon begon weer onder te gaan. Mijn familie stond al zes uur op die klif te kijken en ik kwam maar niet dichterbij.
AB: Over druk gesproken.
WN: Ik heb twee dingen gedaan. Ten eerste geaccepteerd dat het ging lopen zoals het liep. Als ik nog acht uur moest zwemmen, had ik dat gedaan. Dat riep ik ook naar de boot: “Ik kom het water niet uit!” Daar waren ze heel blij mee. Ten tweede heb ik me flink kwaad gemaakt. Ik heb als een klein kind met mijn vuisten op de zee geslagen en liggen vloeken. Doordat je je kwaad maakt, krijg je extra energie. Daardoor kon ik aan land komen, niet op het strandje, maar een stuk daarnaast op de rotsen.
AB: Maar het was gelukt. Hoe is dan de ontlading als je je familie ziet?
WN: Er waren weer tranen. Je bent toch heel erg moe. Mijn vriend en een vriendin waren van de boot gesprongen en zaten bij mij op de rots. Ze zeiden: “Even je handen omhoog voor de foto.” Ik was daar niet echt mee bezig. De echte ontlading kwam toen we op de boot kwamen. Ik heb dit gedaan in actie voor de Hersenstichting. Toen kreeg ik de cheque te zien: zevenenvijftigduizend euro opgehaald. Zeshonderdduizend unieke bezoekers en 5,8 miljoen views. Heel veel mensen zeiden achteraf: “Dankjewel, je hebt mij weer hoop gegeven om zelf aan mijn herstel te werken.” Dat raakte me heel diep. Het Kanaalzwemmen begon ik voor mezelf, maar het is iets geworden wat mensen hoop heeft gegeven.
AB: Dit zijn lessen die je overal kunt toepassen.
WN: Ja, ik geef nu lezingen aan bedrijven waarvan een deel van de opbrengst naar de Hersenstichting en wetenschappelijk onderzoek gaat. We hebben het over teams bouwen, mindset, vitaliteit en veerkracht. Hoe ga je om met druk en hoe zet je door als alles tegenzit?
AB: Realiseer je je hoe bijzonder het is wat je hebt gedaan?
WN: Nee. Ik denk dat de enige reden dat ik het Kanaal in één keer heb kunnen zwemmen, is omdat ik een hersenschudding heb gehad en daar mentaal heel hard van geworden ben. Je krijgt een soort superpower als je jezelf weer gevonden hebt. Ik ben toevallig heel goed in uren zwemmen, maar zo heeft iedereen iets waar hij veel lol uithaalt.
AB: Wat neem je mee van dit avontuur in de rest van je leven?
WN: Ik kan denk ik nog beter in het moment leven. Ik heb minder drang om prestaties voor mezelf neer te zetten. Ik heb een soort rust gekregen dat het zo ook wel goed is.
AB: Maar ik begrijp dat er alweer volgende doelen zijn.
WN: Ja, er zijn er nog vijf. Je hebt de Seven Summits in het bergbeklimmen, maar je hebt ook de zeven zwaarste zeezwemoversteken. Ik ben al van Spanje naar Marokko gezwommen. Er is nog geen één Nederlander die ze allemaal gedaan heeft. Slechts 35 mensen op deze wereld hebben dat gedaan. Toen dacht ik: misschien moet ik dat maar proberen.
AB: Waarom denk je: dat wordt leuk, dat gaan we doen?
WN: Omdat iedere keer als ik in zo’n stuk water lig en alles gaat fout, ik het toch naar mijn zin heb. De avonturen die je meemaakt… je voelt je zo in leven. En ik kan het koppelen aan mijn andere passie: de hersengezondheidszorg verbeteren.
AB: Wat zou jij willen dat er verandert in de medische zorg?
WN: Met name de juiste kennis op de juiste plek krijgen en behandelingen die werken vergoed krijgen. Cognitieve trainingen worden nu niet vergoed, waardoor je duizenden euro’s kwijt bent. Dat is schrijnend, zeker als je je baan kwijt bent. Als je snel de richting weet voor zorg, helpt dat heel snel herstellen.
AB: Wat is het beste advies dat je mensen zou willen meegeven die onder druk moeten presteren?
WN: Focus op het proces en niet op de uitkomst. Dit komt voort uit het stoïcisme en de Stockdale Paradox. Tijdens mijn herstel leerde ik dit uit het boek Good to Great van Jim Collins. Stockdale zat in een Vietnamees oorlogskamp. Zijn medegevangenen hoopten op bevrijding met Kerst, dan Pasen, en stierven uiteindelijk van teleurstelling als dat niet gebeurde. Stockdale bleef geloven dat hij bevrijd zou worden, maar koppelde dat los van wanneer. Hij deed iedere dag zijn best om fit te blijven. Die manier van denken zorgt dat je om kan gaan met teleurstellingen. Ik heb mezelf beloofd: ik ga een keer dat Kanaal zwemmen, en het maakt me niet uit of het de eerste of tweede keer lukt, of over tien jaar. Ik gun mezelf dat ik dit mag doen, maar ik laat los hoe en wanneer. Dat haalt de druk eraf. Je doet wat je kan, en meer dan dat lukt ook niet.
AB: Waanzinnig. Dankjewel.
