“Als mijn dochter iets overkomt, dan weet ik jou te vinden. Ik maak je helemaal kapot.” Hoe ga je om met dit soort extreme druk als je net bent begonnen in een nieuw vak?
Sjors Fröhlich verruilde zijn jarenlange radiocarrière voor de ambtsketen van burgemeester (gemeente Vijfheerenlanden), maar die droombaan veranderde al snel in een periode van zware crisis, fysieke dreiging en politieke eenzaamheid.
Lees hieronder het transcript van deze aflevering.
Amber Brantsen: Welkom, Sjors Fröhlich.
Sjors Fröhlich: Dankjewel.
AB: Oud-radioman, je bent begonnen in 1982.
SF: Dat is wel even geleden hoor.
AB: Dat is wel even geleden ja.
SF: Ik zal niet vragen hoe oud je bent, maar…
AB: Nee, toen was ik nog vloeibaar. Je bent doorgegaan tot 2013, echt op de radio. Daarna ben je hoofdredacteur bij BNR geworden tot 2019 en vervolgens maak je de switch: je wordt burgemeester van de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden. Dan vraag ik mij af: met zoveel radio-ervaring, wat was dan spannender? Jouw allereerste radio-uitzending, dat het rode licht on air aangaat, of de eerste raadsvergadering die jij moest leiden?
SF: Dat is een mooie vraag. Ik denk uiteindelijk toch die allereerste live radio-uitzending. Dat was het moment dat je dacht: oké, het gaat nu echt gebeuren en heel Nederland kan horen wat ik zeg. Dat kan ik me nog goed herinneren. De eerste raadsvergadering was natuurlijk iets wat ik echt nog nooit gedaan had, maar door de ervaring van presenteren zit je iets zekerder op je stoel. Ik heb die eerste raadsvergadering eigenlijk beschouwd — en dat doe ik nog steeds — als een radioprogramma. Ik krijg een draaiboek van de griffier, daar staat in welke volgorde dingen gaan, en ik kan daar zelf een beetje omheen freewheelen. Ik heb daar heel veel plezier in. Er zijn burgemeesters die zeggen: “Die raadsvergadering, mwah, de rest van het vak vind ik heel erg leuk.” Ik vind de raadsvergadering echt superleuk. Dus ik heb er veel lol in. De eerste keer was het natuurlijk wel heel erg spannend, zeker.
AB: Is het dan ook een soort theater, zoals dat op de radio ook is?
SF: Niet helemaal, want dan doe je de inhoud tekort. Maar in die zin dat je in de politiek je standpunt en hoe je dat verwoordt af en toe een beetje uitvergroot. Ik ben gedurende die raadsvergadering geconcentreerd bezig om iedereen op een goede manier het woord te geven. Daar hoort af en toe een opmerking bij, of even: “Hé mensen, nu even rustig, het moet niet te scherp worden.” Je bent met z’n allen bezig om vooral het goede besluit te nemen. Maar iedereen pompt zich voor een raadsvergadering en een politieke bijdrage natuurlijk een beetje op. In die zin is het zo, maar het is geen theater. Zeker niet. Ik denk dat dat in de Tweede Kamer veel meer het geval is dan op gemeentelijk niveau.
AB: Op gemeentelijk niveau gaat het echt meer over de inhoud.
SF: Absoluut.
AB: De podcast heet ‘Onder druk’. Wat zou ik aan jou merken als jij onder druk staat? Hoe zit je er dan bij?
SF: Wel goed. Ik heb een beetje druk nodig. Dat is van oudsher zo: als ik op donderdag een toets had op school, dan ging ik daar woensdagavond eens aan beginnen. Dan stond ik donderdagochtend vroeg op en maakte ik het af. Dat is ook de essentie van live radio; ik heb heel erg de deadline en het ‘nu’ nodig om het optimale uit mezelf te halen. Ik ben niet zo gedisciplineerd dat ik denk: ik moet over vier weken wat doen, het zou handig zijn als ik daar nu alvast een beginnetje mee maak.
AB: Je weet dat dat handig zou zijn hè, in theorie.
SF: En dan toch laat ik het vaak op het laatste moment aankomen en dan komt het ook goed. Aan de andere kant: om dit vak van burgemeester te leren heb ik heel bewust anderhalf, twee jaar voorbereidingstijd genomen. Dat kon ook niet anders, vond ik. Ik moest me goed voorbereiden: wat houdt het in, wat betekent het, wat moet ik allemaal kunnen, wie moet ik kennen? Dat is een voorbeeld dat ik, eigenlijk geheel tegen mijn karakter in, de tijd heb genomen om iets heel goed voor te bereiden.
AB: Want hoe gaat dat dan? Je bent dus al jaren, eigenlijk zolang je je kan herinneren, een radioman. Op een gegeven moment werk je achter de schermen als hoofdredacteur. Word je dan ineens wakker en denk je: dit is het, ik word burgemeester?
SF: Nee, zo ging het niet helemaal. Het leek me altijd al een heel mooi vak omdat je met hele verschillende dingen bezig bent, en vooral omdat je met veel mensen bezig bent. Dat vind ik bijzonder. Ik keek thuis vroeger ook wel een beetje op tegen de burgemeester. Je denkt als kind toch: dat is de baas van de gemeente — wat overigens niet klopt, mensen. Ik had alleen de pech dat ik heel leuk werk had. Ik wilde altijd bij de radio werken; daar kwam ik te werken en ik heb van elke seconde met volle teugen genoten. Dus er was geen aanleiding om iets anders te gaan doen.
Op een gegeven moment kreeg ik problemen met mijn stem en moest ik de bakens gaan verzetten. Ik ging meer leidinggevende dingen doen: eerst bij de NPO bij het zendermanagement, Radio 2, Radio 1, de sportzomer van 2012. Toen kwam BNR. Dat vond ik ook heel leuk; ik kon twee dingen combineren: iets nieuws leren, leidinggeven, maar wel binnen het domein dat ik liefhad en heb, de radio. Ik had bij BNR afgesproken: ik doe daar twee termijnen van vier jaar hoofdredacteur en dan ga ik weer wat anders doen. Dus ik was alweer bezig met mijn toekomst. In de gemeente waar ik al heel lang woon was een fusie gaande tussen drie gemeentes tot een nieuwe gemeente Vijfheerenlanden. Toen dacht ik: daar hebben ze ook een burgemeester voor nodig. Als ik het ooit wil doen, dan is het hier. En dan moet het nu zijn. Want een volgende burgemeester zit er in elk geval zes jaar en misschien wel twaalf jaar; dan ben ik gewoon te oud, dan gaat het hem niet meer worden. Dus ik dacht: ik ga het gewoon proberen. Ik heb met mezelf afgesproken dat ik zou genieten van het proces, van wat dat sollicitatieproces van een burgemeester allemaal inhoudt. En als het hem niet wordt: prima. Ik zat lekker bij BNR en was al met nieuwe dingen bezig. Dus ik zat er heel relaxed in. Ik wilde het wel heel graag, maar als het niet door was gegaan was het ook goed geweest. En toen ging het opeens wel door.
AB: Nog even terug naar die voorbereidingsperiode. Je hebt in je hoofd: ik wil heel graag burgemeester worden. Hoe heb je jezelf zo goed mogelijk gepositioneerd en voorbereid?
SF: Op een heleboel verschillende manieren. Door de radio kende ik een aantal burgemeesters, een paar ook persoonlijk heel erg goed. Ik ben met een stuk of vier, vijf burgemeesters op pad gegaan. Stage gelopen, meegelopen om te zien: wat doe je de hele dag en wat komt erbij kijken? Er zijn een paar hele goede boeken over het burgemeesterschap. Ik heb gesprekken gehad met de commissaris van de Koning, met de kabinetchef. Ik heb heel veel artikelen gelezen, de gemeentewet, dat soort dingen. Ik was echt tot de tanden gewapend toen ik de eerste gesprekken inging. Toen bleek dat het er helemaal niet om ging of ik artikel 157 van de gemeentewet uit mijn hoofd moest weten, maar veel meer: hoe ga je een gesprek aan? Hoe ga je met mensen om? Zien we deze meneer of mevrouw zowel de Koning ontvangen als met een drugsverslaafde het gesprek voeren over hoe het met hem of haar gaat? Die veelzijdigheid werd mij al heel snel duidelijk en daardoor werd ik eigenlijk alleen maar enthousiaster over het ambt.
AB: Maar dat is wat jij ook deed op de radio, toch?
SF: Ja, dat is leuk dat je dat zegt, want dat is wel zo. Die parallellen zijn er. Veel mensen vragen: is het niet iets heel anders wat je nu doet? Dat valt wel mee. Je hebt contacten met mensen en je praat met mensen overal over. Zeker de programma’s die ik deed, zoals Cappuccino. Op zaterdagochtend belden mensen, het waren open lijnen. Het NOB had voor mij een speciaal kastje gemaakt waarbij ik tien telefoonvorken tegelijkertijd in de uitzending kon nemen. Er zat geen filtering tussen, geen regie. Ik wist niet wie er kwam, ik wist niet waar het over ging, en daar reageerde ik op. Soms was het een vraag, soms een opmerking, soms hele domme dingen. Eigenlijk doe ik dat nu ook. Ik reageer op mensen en dat gaat overal over: over hele grote dingen, of over klein leed. Maar als dat kleine leed één mens betreft, is het voor diegene heel groot leed. Wat dat betreft zijn er heel veel parallellen.
AB: Het verschil is natuurlijk wel dat je er nu iets mee moet. Toen was je een klankbord, je kon er iets op zeggen. Nu ben jij vaak de verantwoordelijke, of in ieder geval iemand die iets kan doen.
SF: Het gevoel van verantwoordelijkheid is anders. Bij de radio was dat, toen ik presenteerde, redelijk vrijblijvend. Ik wilde gewoon een vrolijke, leuke ochtendshow op zaterdag maken. En ik wilde ook niet zes klagende mensen achter elkaar, daar was ik vrij snel mee klaar, waardoor een rijtje van zes klagende mensen weer hele leuke radio opleverde. Maar daar bleef het inderdaad bij. Toen ik hoofdredacteur werd bij BNR voelde ik een grotere verantwoordelijkheid voor de 120 mensen die daar werkten, maar ook om het nieuws op een goede manier op de radio te brengen. Daarnaast had ik een commerciële verantwoordelijkheid; BNR is een commercieel bedrijf, dus wij moesten ook zorgen voor omzet. Daar heeft de hoofdredacteur, hoewel hij of zij journalistiek onafhankelijk werkt, wel een verantwoordelijkheid in. Dat bedrijf moet blijven bestaan. Ik kan heel zwaar journalistiek bezig zijn, maar als het zwaar verliesgevend is, zeggen ze: stop er maar mee. Daar verschoof die verantwoordelijkheid al een beetje. Als burgemeester voel ik de verantwoordelijkheid voor de mensen gewoon heel zwaar. Niet dat het een last is, maar ik voel hem wel heel erg.
AB: Het is grappig dat jij begon over je stemproblemen. Die dwongen jou op een gegeven moment tot stoppen op de radio. Je onderging een operatie en het werd een stuk beter, 95% zei je. Maar je zei toen ook: ik wil top zijn, ik hoor die 5% verlies en ik accepteer dat niet. Toen begon je in november 2019 aan een baan als burgemeester waar je nul ervaring in had. Hoe lastig was het om dat perfectionisme dan los te laten? Omdat je op de radio zei: het moet perfect zijn. Maar toen begon je aan een nieuwe uitdaging zonder ervaring of politiek netwerk. Het was toch een soort omarmen van het imperfecte.
SF: Nou ja, met als doel om het perfect te maken. Wat ik met de radio en die 95% bedoelde: ik hoorde die 5% aan mijn stem die niet goed was. Ik heb letterlijk jaren geknokt om weer terug te komen op de radio. Ik ben naar Engeland geweest, naar Amerikaanse dokters, je wilt het zo gek niet bedenken. Ik heb alles gedaan, want ik wilde echt heel graag terug. Maar ik hoorde telkens: het is gewoon niet goed genoeg. Ik wilde nooit te boek staan als het zielige geval waarvan mensen achteraf zeggen: “Joh, die had nooit terug moeten komen. Jammer, hij had zo’n mooie carrière en dan komt hij terug en is het het net niet.”
AB: Hadden mensen dat tegen je gezegd? Of was dat iets van jezelf?
SF: Nee, er waren juist veel meer mensen die zeiden: “Joh, dat gaat prima met die stem. Geen enkel probleem. Jouw herkenbaarheid is jouw kracht, dus doen!” Eigenlijk zei iedereen dat het wel kon. Ik ben er nog steeds dankbaar voor dat ik mijn poot heb stijf gehouden: ik vind het niet goed genoeg jongens. Dat nieuwe vak, daar ben ik gewoon weer ingesprongen: kop vooruit, diep in. Ik wilde de bakens verzetten om te kijken of ik nog wat kon leren. Ik was 51, 52. Iets heel nieuws doen, nieuwe mensen leren kennen, nieuwe processen; ik daagde mezelf heel erg uit. Maar niet met de indruk van: “We wachten wel af of ik dit kan en we kijken waar het schip strandt.” Nee, het moest en moet nog steeds zo goed mogelijk. Daar haal ik mijn voldoening uit: beginnen met iets wat ik nog niet kan en kijken of ik dat kan leren.
AB: Te gek. En je zegt: we werken naar perfectie toe, wat het dan ook moge zijn. Want de samenleving, een gemeente, politiek, het is grillig. Is het dan frustrerend of blijf je juist gemotiveerd?
SF: Nee, ik blijf juist gemotiveerd. Ik ben heel optimistisch. Soms is het heel grillig en naar, en is het ongefilterd in de reactiesferen. En dan toch probeer je er iets van te maken. Mijn manier is toch: kijk, als je voor een volle zaal staat met boze bewoners, dan is er bijna geen houden meer aan. Dan probeer je het wel, maar dan lukt het net. Terwijl als je één of twee individuele, hele boze mensen eruit haalt en zegt: “We moeten echt deze week koffie gaan drinken”, en je gaat het gesprek aan, dan kom je eruit. Dan is die toon weg, die verontwaardiging, die ongelooflijke boosheid. Dan leggen die mensen uit waarom ze zo boos en teleurgesteld zijn. En ik leg uit wat het met mij doet als je de meest verschrikkelijke dingen tegen mij zegt of op internet zet. Dan is er van beide kanten begrip. Mensen zeggen: “Jeetje, ik had niet gedacht dat dat zo zou binnenkomen.” En ik hoor dingen waardoor ik denk: oké, ik begrijp jullie nu wel iets beter. Ik ben het nog steeds niet eens met de uitingsvorm, maar ik begrijp jullie wel. Dat zijn dan maar twee mensen van de honderden boze mensen, maar het zijn er wel twee. Vanuit dat gesprek kan ik weer de motivatie en inspiratie halen om het traject, hoe lastig ook, te vervolgen.
AB: Weet je dan altijd wat je tegen dat soort mensen moet zeggen?
SF: Nee, niet van tevoren. Toen ik burgemeester werd, kwam na twee maanden corona. Dat was een hele lastige tijd voor iedereen, maar ook voor burgemeesters. Wij moesten dingen handhaven en verbieden. Ik heb in die tijd wel eens tegen ondernemers gezegd: “Ik kan het niet uitleggen, maar het mag niet en we gaan het niet doen. Ik ga proberen om via de bestuurlijke weg — het Veiligheidsberaad — te kijken of ik het kan verzachten. Want ik begrijp u helemaal, ik ben het er helemaal mee eens en ik vind het ook belachelijk. Maar ik ga niet zeggen: doe maar. Dat ga ik niet doen.”
Een voorbeeldje: in Vianen moesten alle winkels dicht, ook elektronicawinkels. Maar wij hebben een hele grote Makro. Die mocht open blijven, omdat die werd opengesteld voor mensen zonder pasje om veilig boodschappen te doen, want je kunt er afstand houden. De Makro heeft beneden de foodafdeling, maar boven bedden, tv’s, ski’s, alles. Op een gegeven moment kwamen ondernemers uit Leerdam en Vianen bij mij: “Burgemeester, onze winkel is dicht. Dat kost omzet en doet pijn. En de mensen gaan nu naar de Makro om een nieuwe tv te kopen.” Ik kon dat niet uitleggen. Wat ik toen gedaan heb: ik ben naar de directeur van de Makro gegaan. Ik heb hem dit voorgelegd en gezegd: “Ik doe een verzoek aan je, want ik kan niets afdwingen, om de bovenverdieping dicht te doen.” Dat heeft hij gedaan. Dan merk je dat het helpt om er gewoon naartoe te gaan, het uit te leggen, en ook weer terug te gaan naar die ondernemers: “Jongens, ik heb met ze gepraat en de bovenverdieping is dicht.” De Makro verklaarde zich solidair met de ondernemers bij ons. Dan kan iedereen weer even vooruit, want ze zien dat er wat met hun zorgen gebeurt. Als je alleen maar aan het schelden bent, ga ik heel snel in de contramine. Dat helpt bij mij niet.
AB: En je hebt het nu over die coronatijd, een hele heftige tijd. Je zei ook: ik ben niet de baas van de gemeente. Op zo’n moment voel je wel dat er ook nog een landelijke politiek is die van alles beslist, vooral wat er niet mocht. Hoe lastig was dat voor jou?
SF: Dat was op verschillende manieren lastig. In je privéomgeving hebben mensen met maatregelen te maken en krijg ik daar vragen over. Ik wilde er ook verantwoordelijkheid voor nemen, ook al is het niet mijn besluit. Ik heb altijd geprobeerd om dingen via de bestuurlijke lijnen te regelen, want ik begreep heel goed dat dit voor het kabinet en de minister ook nieuw was. Niemand had dit ooit meegemaakt. Besluiten werden genomen, vaak op zondag tijdens Catshuis-sessies waar iedereen in spijkerbroek naartoe kwam. In het begin wist niemand precies wat hij moest doen. Er werden maatregelen afgekondigd op basis van wetenschappelijke rapporten. Natuurlijk waren sommige heel heftig en ingewikkeld. Die avondklok was verschrikkelijk.
Ik zie twee dingen die echt niet goed zijn gegaan. Ten eerste hoe wij met de mensen in de verzorgingstehuizen zijn omgegaan. Ik had één klein verzorgingstehuis in Lexmond waar twintig, dertig mensen wonen. De helft is overleden aan corona en de familie kon daar niet bij komen om afscheid te nemen. Dat is hartverscheurend. Ik heb altijd gestimuleerd om daar creatieve oplossingen voor te vinden, zoals met een hoogwerker langs de flat omhoog om muziek te maken voor de mensen die aan de andere kant van het raam stonden met tranen in hun ogen. Die groep hebben we niet goed gedaan. De andere groep zijn de jongeren. We hebben echt wel één, twee jaar de jongeren die in de puberteit zaten, die het leven, vriendschappen, clubs en verenigingen aan het uitvinden waren, beperkt. School ging niet door. Ik kan me herinneren dat mijn dochter in bed met een laptopje onderwijs kreeg. Die hebben daar echt een tik van gekregen. Dat zou je nu anders doen.
AB: Je voelt je dan ontzettend machteloos.
SF: Ja, maar ik moet ook eerlijk zijn: ik praat er nu achteraf over. Ik denk dat we pas achteraf tot de conclusie zijn gekomen dat we dat niet goed hebben gedaan. Op het moment zelf probeer je in de crisis te voorkomen dat er honderdduizenden mensen zouden overlijden. Want daar hadden we mee te maken. Je had ook de vaccinaties en de weerstand daartegen die ik nooit begrepen heb. Ik heb wel altijd respect gehad voor mensen die dat niet wilden; dat staat je vrij. Maar dan moet je ook accepteren dat jouw kind niet naar de BSO mag. Als burgemeester was je de schouder om op uit te huilen. Ik kreeg elke dag een lijstje van mensen die die dag waren overleden, met telefoonnummers van de familie. Om mijn condoleances aan te bieden, te vertellen hoe verschrikkelijk ik het vond en of ik ze kon helpen. Als je dit tien jaar geleden in een film had gezet, was die heel beklemmend geweest. En het is gewoon allemaal gebeurd.
Ik ben heel erg van het nu en vooruit, maar als je er nu op terugkijkt, is het een tijd waarover je je over een aantal jaar bijna niet meer kunt voorstellen dat het gebeurd is. Ik herinner me nog dat ik hoorde dat in Italië de scholen werden gesloten. Ik dacht: wow, alle scholen dicht, dat is me wat. En die beelden uit Londen bij de ziekenhuizen, met lange rijen vrachtwagens en ambulances, mensen die erin lagen dood te gaan. Je denkt echt: waar is Tom Cruise?
AB: Precies. Maar als je dat beeld schetst, komt het bij mij ook weer terug: mortuaria, mensen op de IC aan de beademing, op hun buik. En in hun eentje overlijden in verzorgingstehuizen. Ik deed toen voor de NOS Koningsdag in Maastricht. Dat werd afgeblazen en toen stonden we in een soort binnentuin programma te maken met bewoners achter ramen. Dat heeft me veel gedaan. Je zit er middenin en denkt: waartoe leidt dit?
SF: Ik heb geprobeerd om heel veel te blijven communiceren: videoboodschappen, social media, artikelen. Ik heb me ook heel erg tot de kinderen gericht. Ik heb op de camera verteld: “Jongens en meisjes, het is heel raar en naar, maar dit gaat over. Wij gaan hier uitkomen.” Een heleboel kinderen waren gewoon heel erg bang. Ik wist niet op welke termijn, maar ik had een diep geloof: dit kan niet zo blijven. Door de geschiedenis heen zijn er altijd ernstige epidemieën geweest, maar ze zijn allemaal overgegaan. Dat heb ik geprobeerd uit te stralen. Uiteindelijk is het licht niet op één moment weer aangeschakeld; het is heel geleidelijk gegaan. Ik heb één document bewaard uit die tijd: de ontheffing voor de avondklok. Dat ik na tien uur ’s avonds mocht rijden. Dat is voor mij het symbool van die rare tijd.
AB: Wat heb je geleerd in die tijd?
SF: Dat je als bestuurder verplicht optimistisch moet zijn. Dat je rustig moet blijven en stabiliteit moet uitstralen en zijn. Ik merkte dat dat werkte. Ik heb geleerd om volstrekt tegengestelde belangen bij elkaar te brengen en begrip voor elkaar op te brengen, en soms te zeggen: “Het is even zoals het is.” Ik kan nog tien voorbeelden noemen van onrechtvaardigheden. Winkels moesten dicht, maar markten met versproducten mochten open. Bloemen vielen onder versproducten. Bij ons in Vianen staat de bloemenkraam recht voor de bloemenzaak. De bloemenwinkel was verplicht dicht en voor de deur stond de bloemenkraam. Ik kon het niet uitleggen, maar ik heb het wel gedaan. Ik heb heel erg geleerd om hele moeilijke dingen uit te leggen.
AB: Je had het net ook over die gesprekken met mensen die geen vaccin wilden. Naarmate de tijd vorderde, werden mensen onrustiger en bozer. Hoe ga je dan het gesprek aan met mensen die geloven in complotten?
SF: Ik geloof in de wetenschap. Ik geloof dat mensen oprecht nadenken over een goed vaccin. Natuurlijk zijn die vaccins in een bizar snel tempo op de markt gekomen, gelukkig maar. Ik kan helemaal niks met mensen die zeggen: “Dit is van Bill Gates en je krijgt een nanorobotje in je lijf.” Ik heb naar die mensen geluisterd en gewoon gezegd: “Beste mevrouw, ik respecteer u, maar dit is echt onzin. Dit is bullshit.” Als iemand zegt: “Ik wil niet dat de overheid mij verplicht om te vaccineren vanwege de integriteit van mijn lichaam”, daar heb ik diep respect voor. Maar ik zeg: denk ook om je omgeving. Jij wilt voor je mensen zorgen. Voor die vaccinatie had je een bepaald percentage nodig. Waar ik moeite mee had, was als mensen zeiden: “Iedereen is in principe gevaccineerd, dus dan hoef ik niet.” Ik zei: “Zo werkt het niet, vriend. Als iedereen dat zegt, werkt het systeem niet meer.”
Dan heb je nog de gesprekken met mensen die zichzelf autonoom verklaren. Die zeggen: “Ik heb geen overheid en geen burgemeester.” Dan krijg je een formele brief: “Ik accepteer uw gezag niet meer, ik betaal geen belasting meer.” Ik probeer dan met die mensen in contact te komen. Ik zeg: “Als uw huis in brand staat, wat doen we dan?”
“Dan bel ik de brandweer.”
“Maar u accepteert de overheid niet, dus dan komt de brandweer eigenlijk niet. En als u een hartaanval krijgt? We doen dit toch met z’n allen?”
Vaak willen ze wel een uitkering, maar geen belasting betalen. Ik zeg: “Ik vind uw argumentatie niet helemaal sluitend.” Sommige mensen willen gewoon een beetje tegen de overheid aanschoppen. Zelfs dat kan ik respecteren, maar dan zeg ik ook: dan heb je eigenlijk ook geen recht op de mooie kanten van de overheid. Natuurlijk sturen wij die brandweer, maar het is niet helemaal eerlijk.
AB: Jij bent partijloos burgemeester. Dat klinkt heel stoer.
SF: Is het ook. Nee hoor, ik ben gewoon niet lid van een politieke partij.
AB: Ik ben ook partijloos, maar ik ben geen burgemeester. We hebben bij premier Schoof gezien dat dat best lastig kan zijn. Partijen kunnen gaan trekken of duwen, want je hoort nergens bij. Hoe ervaar jij dat?
SF: Het heeft mij heel erg geholpen. Toen ik zes jaar geleden begon, waren er maar tien of vijftien partijloze burgemeesters. Het kwam door mijn journalistieke achtergrond; ik vond het niet verstandig om lid te zijn. Bovendien ben ik een zwever. Ik ben heel bewust partijloos de wedstrijd ingegaan. Wij zaten in een lastige fusie en het hielp gewoon dat alle raadsleden dachten: “Hij is van ons allemaal.” Stel, ik was van de VVD geweest, dan hadden andere partijen misschien gedacht dat ik de VVD voortrok. Nu had ik daar geen last van.
Wat betreft het netwerk in Den Haag: door mijn journalistieke achtergrond had ik de telefoonnummers van iedereen en kon ik iedereen bellen, ongeacht de partij. Het heeft mij een enorme mate van vrijheid en onafhankelijkheid gegeven. Het vak van minister-president is wel iets anders. De politieke krachten zijn enorm groot. Schoof zat in een onmogelijke positie. Ik heb veel respect voor hem en ik begrijp Kim Putters heel goed dat hij zei: “Laat maar.” Deze minister-president heeft niet de kans gekregen om zich te profileren als ‘uw premier’, omdat het politiek zo’n zooitje was. Wim Kok was in het begin ook een beetje een humeurige, onhandige man, die later bijna de ‘vader des vaderlands’ werd. Je hebt tijd en credits nodig, en die heeft Schoof niet gekregen.
AB: Wie is dan jouw achterban? Want jij begon eigenlijk blanco.
SF: Mijn achterban, dat zijn mijn inwoners. En de gemeenteraad. De gemeenteraad is de baas; zij beslissen wie burgemeester wordt en zeggen ja of nee tegen besluiten. Ik heb die inwoners voor me moeten winnen. Het scheelde dat ik er vandaan kwam. Ik heb me erbij neergelegd dat ik nooit voor al onze 63.000 inwoners de ideale burgemeester zal zijn.
AB: Laten we even teruggaan naar november 2024. De landelijke Sinterklaasintocht in Vianen. Een groot evenement met een enorm afbreukrisico. Wanneer dacht je: dit is een goed idee?
SF: Dat zat er al jaren in. Toen ik burgemeester werd, zei ik al tegen mensen bij de NTR: “Wat er ook gebeurt, de komende zes jaar komt Sinterklaas een keer naar de nieuwe gemeente.” Na de corona-Sinterklazen belde de NTR in februari of maart: “Sjors, we moesten het maar eens gaan doen in Vijfheerenlanden.” Ik vond het geweldig. Van kinds af aan vond ik de intocht fantastisch en ik zag een mogelijkheid om onze nieuwe gemeente, en met name Vianen, aan heel Nederland te tonen. Als je Vianen alleen van de snelweg en Van der Valk kent, heb je er niet direct een warm gevoel bij. Maar de oude stad en de haven zijn fantastisch. Ik wilde ook graag de hele gemeente, alle zeventien dorpen en steden, laten zien.
Toen kwam het politieke proces. In een jaar dat gemeentes financieel best wat aan de hand hebben, ging ik naar de raad: “Jongens, dit kan, maar dat gaat wel wat kosten.” Het kostte €500.000, eigenlijk meer. Sinterklaas hoef je niet te betalen om binnen te halen, maar je moet het organiseren: veiligheid, podia, licht, geluid. Ik heb het heel voorzichtig ingemasseerd bij het presidium, de fractievoorzitters. Ik herinner me altijd dat mijn moeder een pilletje in de vla deed als ik dat moest nemen; dan had je het niet door. Zo denk ik vaak over dingen: het moet even een pilletje in de vla. Ik wilde partijen niet in de positie brengen dat ze in het openbaar tegen Sinterklaas moesten stemmen.
Op een gegeven moment werd duidelijk dat ik de meerderheid zou redden, maar het mocht geen cent duurder worden dan 5 ton. Maar zoals bij een verbouwing: het duurt langer en wordt duurder. Ik had discussies met mijn projectleider en gemeentesecretaris over 10.000 of 15.000 euro extra. Ik heb gezegd: “Geen cent meer, dan gaat er iets anders niet door.” Dat waren af en toe nare gesprekken. Ik maakte een bruggetje naar de Formule 1 in Zandvoort. Daar zag ik mensen op hoge tennisstoelen met een megafoon. Dat vond ik zo leuk. Die extra 15.000 euro ging over ledschermen met instructies. Ik zei: “We huren tien van die hoge scheidsrechtersstoelen en zetten daar vrijwilligers met megafoons op.” Dat werkte als een speer en was veel leuker en persoonlijker.
AB: En het was een succes.
SF: We hadden mazzel: mooi weer, positieve sfeer, veel blije kinderen. Het was na corona en de Zwarte Piet-demonstraties de eerste onbezorgde intocht. Er waren wel demonstraties, maar die hadden we in een vak gezet. Er waren heel veel veiligheidsmaatregelen: camera’s, drones, een headquarters truck. Op een gegeven moment kwam er een groep Zwarte Pieten die er niet bij hoorden. De politie ging er in burger naartoe om met ze te praten. We hadden de afspraak: geen geweld ten overstaan van kinderen. Die mensen waren redelijk; ze wilden een statement maken maar zeiden: “Als er problemen dreigen, zijn we weg.” Ze hebben niet eens in het demonstratievak gestaan.
Ik had in de week ervoor ook een mooie oefening gehad, een ’table-top’, en een goed gesprek met Jerry van de actiegroep Kick Out Zwarte Piet. Ik heb hem uitgelegd: “Volgens mij gaan wij de Sinterklaas bereiken die jullie willen: een fijn feest met roetveegpieten. Als jullie komen, komen er tegendemonstranten en krijgen we gedoe.” Hij zei: “Ik heb je gehoord en we komen niet.” Daarmee hebben we het waar kunnen maken.
AB: Een andere stressvolle situatie: de AZC-plannen van de gemeente. Dat leidde tot bedreigingen, jouw wethouder werd bedreigd, er was een kogelbrief.
SF: Dat proces is al een paar jaar gaande. Wij vangen al een paar jaar asielzoekers op, begonnen in Lexmond en daarna Kedichem. Dat gaf heel veel gedoe en heftige bewonersavonden. Mensen zeiden verschrikkelijke dingen over asielzoekers: moordenaars, verkrachters. En tegen ons: dat we klootzakken waren die op baantjes uit waren. Op een bewonersavond kwam iemand neus-aan-neus op mij afstappen, als een soort Rico Verhoeven, en zei: “Als mijn dochter iets overkomt, weet ik jou te vinden en maak ik je helemaal kapot.” Ik voelde me heel sterk en heb me geen seconde laten intimideren. Ik bleef staan en zei niks. Hij liep weg.
Ik weiger me erbij neer te leggen dat een groep asielzoekers automatisch een groep inbrekers en verkrachters is. Natuurlijk komen ze uit een andere cultuur, daar moet je over praten. Maar wat er de afgelopen drie keer gebeurde, was steeds hetzelfde: enorme weerstand aan het begin, tot na een paar weken mensen zeiden: “Het valt wel mee, het zijn best aardige gasten.” In Lexmond had ik beloofd dat ze na vier maanden weg zouden gaan. Ik gaf het ze op een briefje. Na drie maanden vroeg het dorp massaal: “Mogen ze niet nog even blijven?” Ik heb gezegd: “Nee, ik heb vier maanden afgesproken.” Dat hielp, want mensen zagen dat ik deed wat ik zei.
AB: Je krijgt vaak terug dat mensen zeggen: “Oh, maar ik had het niet zo bedoeld.” Ben je nooit bang geweest voor een ‘lone wolf’?
SF: Ik ben daar nooit bang voor geweest. Misschien ben ik naïef. De mensen die ik sprak die verschrikkelijke dingen op internet zetten, bleken gewone, bezorgde mensen die uit de bocht vlogen. Ik heb een gesprek gehad met de man uit Kedichem die tweette dat ik dood moest. Hij schrok zich rot toen de politie voor de deur stond. In het gesprek legde ik uit wat zijn tweets deden met mijn gezin. Hij vertelde wat de komst van asielzoekers met zijn dorp deed: hij zag zijn dorp splijten. We hebben van elkaar geleerd.
Laatst kreeg wethouder Charlanda, een stoer wijf die al die moeilijke gesprekken aangaat, een bericht: “Ze moeten de wethouder publiekelijk ophangen in de hal van het asielzoekerscentrum.” Haar familie was helemaal overstuur. We hebben direct aangifte gedaan en de man is aangehouden. Hij is voor de rechter verschenen, maar stond ook open voor mediation. In dat gesprek toonde hij spijt. De wethouder heeft de rechter zelfs gevraagd hem niet te zwaar te straffen. Dat vond ik waanzinnig stoer. Het was een belangrijk signaal: dit accepteren we niet.
Waar mijn boosheid zit, is bij het kabinet. Er is een spreidingswet en die heb je uit te voeren. Je krijgt nul steun. Minister Mona Keijzer had een bedreigde burgemeester niet eens gebeld. Toen we ernaar vroegen, zei ze: “Niemand heeft mij dat geadviseerd.” Ik dacht: u bent toch minister? U kunt dat toch zelf bedenken? Wij missen de steun. Wij staan tegenover die boze mensen de wet uit te voeren, terwijl de minister zegt dat ze tegen die wet is. Dan hebben wij geen verhaal meer.
AB: Ik heb een snelle ronde met dilemma’s voor je. Altijd herkend worden in de supermarkt of volledig anoniem over straat maar nul invloed?
SF: Dan maar herkend worden in de supermarkt. In je werk wil je invloed hebben.
AB: Live op de radio met een kater of onvoorbereid een raadsvergadering voorzitten met de pers op de tribune?
SF: Ik denk dat live op de radio met een kater het beste resultaat geeft.
AB: Per ongeluk je microfoon open laten staan in de radiostudio of per ongeluk een vertrouwelijk stuk in de trein laten liggen?
SF: Dan laat ik toch liever de microfoon open staan.
AB: Een boze beller in je live uitzending of 100 boze bewoners te woord staan tijdens een raadsvergadering?
SF: Dat tweede. Dat is uitdagender. Daar haal ik, ook al is het onderwerp ernstig, mijn professionele lol uit.
AB: Voor altijd terug naar Hilversum naar de radio of voor altijd in Vijfheerenlanden blijven?
SF: Ik heb met hart en ziel gekozen voor Vijfheerenlanden. Als ik nu terug zou gaan, voelt het burgemeesterschap als een tussendoortje: “Kijk, dat kunstje kan hij ook.” Dat is het niet voor mij. Ik ben hier nog lang niet klaar.
AB: Stel dat er mensen luisteren die een carrièreswitch overwegen?
SF: Doen! Ik heb veel mensen op het spoor gezet. Het kan gewoon, ook als je 50 bent. Ik heb een paar mensen mogen begeleiden naar het burgemeesterschap en daar ben ik bijna net zo trots op als zijzelf.
AB: Tot slot, welke radiopersoonlijkheid zou ook een goede burgemeester zijn?
SF: Frits Spits zou geweldig zijn: empathisch, slim, kan het mooi verwoorden. Alleen vrees ik dat hij de leeftijdsgrens van 70 nadert. Edwin Evers zou het ook prima kunnen: snelle denker, empathisch, gewoon zoals hij is. Is het wat voor jou, Amber?
AB: Nou, wie weet! Ik heb bestuurskunde gestudeerd, maar nooit in de gemeenteraad gezeten.
SF: Dat hoeft dus niet! Je moet van mensen houden.
AB: Dankjewel.
SF: Heel graag gedaan.
