Fleur Jong: “Ik verlang nooit naar vroeger” #3

Al tijden is paralympisch kampioen Fleur ongeslagen. Ze behoort tot de absolute wereldtop op de 100 meter sprint en het verspringen.

Maar wat doet het met je als je áltijd de torenhoge favoriet bent? Zeker wanneer jaren van keiharde training samenkomen in die ene allesbepalende 11 seconden.

Dit is een gesprek dat niet alleen fascinerend is voor sportliefhebbers, maar ook waardevolle lessen bevat voor iedere professional die moet presteren op beslissende momenten.

Lees hieronder het transcript van deze aflevering.

Amber Brantsen: Fleur, welkom. Je bent natuurlijk een steengoede atleet. Zou je eigenlijk topsporter zijn geworden als je geen amputaties had gehad? Je bent inmiddels voor de zoveelste keer kampioen geworden, net terug uit New Delhi met goud op zowel de honderd meter als het verspringen. Het kan allemaal niet op. Zat dat topsportelement er niet altijd al in?

Fleur Jong: Dat denk ik wel. Het kan haast niet anders, want anders had ik dit nu ook niet gekund. Toch denk ik dat het er zonder mijn amputaties nooit was uitgekomen. Ik heb altijd gedanst en getennist en daar was ik best goed in. Ik was vooral heel fanatiek en vond het ontzettend leuk om te doen. Dansen was mijn absolute passie en tennis beschouwde ik meer als een leuk spel. Als ik vroeger voor atletiek had gekozen, was het talent wellicht aan de oppervlakte gekomen. Ik ben er inmiddels heilig van overtuigd dat atletiek echt mijn sport is, met of zonder benen. Zonder deze wending in mijn leven was ik er echter nooit mee begonnen. Deze situatie heeft me dan ook heel veel gebracht; ik heb hier feitelijk alles aan te danken.

AB: Je staat aan de start van de honderd meter in New Delhi en je weet: hier heb ik voor getraind, nu moet het gebeuren. Het maakt niet meer uit of je slecht hebt geslapen of goed hebt gegeten; op dat moment moet je simpelweg presteren. Hoe beleef jij de momenten vlak voor zo’n start? Wat gaat er op dat moment door je hoofd en je lichaam heen?

FJ: Dat wisselt sterk per moment. De dag van tevoren heb ik er vaak al enorm veel zin in en voel ik gezonde zenuwen. Op de wedstrijddag zelf denk ik voornamelijk: gelukkig, het is eindelijk zover. De busrit naar het stadion is echter meestal verschrikkelijk, puur omdat het wachten zo lang duurt. In New Delhi stonden we onverwachts in de file, waardoor we bijna te laat arriveerden voor de finale van de honderd meter. Dat leverde uiteraard veel stress op, zoiets had ik nog nooit meegemaakt. We waren ruim op tijd vertrokken, maar we stonden muurvast terwijl de tijd genadeloos wegtikte. Pas veertig minuten voor de callroomtijd—het moment waarop je je officieel moet melden vlak voor de race—kwamen we aan op de warming-upbaan. In New Delhi ervoer ik daardoor relatief weinig prestatiedruk, maar des te meer pure stress om op tijd te komen. Zodra ik echter op de warming-upbaan arriveer en me naar de startlijn begeef, voelt het direct weer als mijn vertrouwde plek en keert de rust terug.

AB: Kun je op zo’n moment de chaos van die busrit onmiddellijk van je afzetten?

FJ: Zodra ik aan de start sta lukt dat, maar in de periode daarvoor absoluut niet. Dat heb ik inmiddels ook van mezelf geaccepteerd. Ik ben nu eenmaal iemand die stress ervaart in zo’n situatie en dat kan ik in een bus niet direct rationaliseren. De staf deed ongelooflijk hun best om me gerust te stellen door te benadrukken dat we nog driekwartier de tijd hadden en precies wisten hoe we een efficiënte warming-up konden draaien. Dat mag rationeel gezien kloppen, maar op dat moment kan ik daar niets mee. Ik zonder me af en wacht simpelweg tot we arriveren. Pas als we op de bestemming zijn, ben ik weer aanspreekbaar.

AB: Stel dat je door de omstandigheden geen volwaardige warming-up had kunnen uitvoeren en er nog maar vijf minuten over waren voordat je je moest melden. Hoe zet je dan in die korte tijd de knop om?

FJ: Ik probeer daar niet te veel over na te denken, maar als het echt moet, ga ik direct de callroom in en probeer ik daar nog wat in beweging te blijven. In zo’n extreem scenario is visualiseren de sleutel. Ik loop de volledige honderd meter mentaal door: de start, het doorversnellen en het vasthouden van de topsnelheid. Door die hele race in mijn hoofd af te spelen, creëer ik het gevoel alsof ik mijn warming-up al mentaal heb afgerond. Ik ben bedreven in visualiseren en het biedt me rust. Ik weet uit ervaring dat die methode voor mij uitstekend werkt.

AB: De grens tussen positieve druk en verlammende stress of paniek is dun. Wanneer werkt druk precies in jouw voordeel?

FJ: Stress en druk zijn voor mij wezenlijk verschillende concepten. Ik ervaar stress wanneer ik de grip op een situatie verlies. Bij druk voel ik juist dat ik in vorm ben en dat het hele seizoen naar wens is verlopen. Als de voorbereiding vlekkeloos is gegaan, ik fit ben, me snel voel en persoonlijke of wereldrecords heb gelopen, dan is er geen enkele reden om te falen. Op zo’n moment voelt het alsof het móét gebeuren. Een Wereldkampioenschap of een groot toernooi is de bekroning op het seizoen. Als je een topseizoen niet kunt verzilveren met een gouden medaille, ga je toch met een wrang gevoel naar huis. Uiteindelijk draait de sport om de titels. Vroeger voelde die druk als een beklemmende verplichting, maar tegenwoordig benader ik het veel meer als een unieke kans. Ik besef dat ik alles goed heb voorbereid, dat ik fit ben en dat ik naar de startlijn ben gelopen om dit moment te grijpen.

AB: Je wordt aangekondigd in het stadion, neemt je positie in, het startschot klinkt en je sprint weg. Die race duurt slechts twaalf seconden. Hoe beleef jij zo’n ultrakorte krachtsexplosie?

FJ: Als ik de race perfect uitvoer, registreer ik eigenlijk vrijwel niets. Alles verloopt op de automatische piloot. Ik voel slechts dat ik strak en efficiënt naar voren beweeg en dat elke pas doel treft. Mocht ik een foutje maken, dan merk ik dat onmiddellijk op. Een race voltrekt zich echter zo razendsnel dat je simpelweg geen andere optie hebt dan onverstoord doorgaan en je volledige focus verleggen naar de eerstvolgende pas.

AB: Is die staat van opperste concentratie waarin je nergens anders mee bezig bent, de zogenaamde flow, het allerfijnste gevoel?

FJ: Dat is absoluut het lekkerste gevoel. Het is tegelijkertijd merkwaardig, want als mensen achteraf vragen hoe de race ging, is het raar om te moeten antwoorden dat je het eigenlijk niet goed weet. Maar juist wanneer ik die flow ervaar en voel dat ik ijzersterk loop, weet ik direct dat ik een topprestatie heb geleverd. Na de finish staat er vaak meteen een cameraploeg klaar met vragen. Op zo’n moment is het lastig om direct een diepgaande analyse te geven, omdat je pas net beseft dat je hebt gewonnen en dat het goed voelde. Vaak probeer ik stiekem in mijn ooghoeken op de grote stadionschermen naar de herhaling te kijken. Op die manier kan ik razendsnel een mini-evaluatie voor mezelf maken voordat ik de pers te woord sta.

AB: Als er onverhoopt toch een foutje in je race insluipt, is het cruciaal om gefocust te blijven en je niet te laten afleiden. Hoe train je jezelf daarin?

FJ: Het voordeel is dat je tijdens de race nauwelijks tijd hebt om er lang bij stil te staan. Soms overvalt me een kort moment van paniek, maar dan weet ik dat ik direct door moet zetten en simpelweg sneller moet bewegen. De laatste jaren ervaar ik aanzienlijk meer rust in mijn lopen. Als ik nu een fout maak, herstel ik mezelf veel sneller. Vroeger had ik de neiging om te overcompenseren door direct nóg harder te willen, waardoor ik aan het einde van de race kracht tekortkwam. Tegenwoordig accepteer ik het foutje, blijf ik investeren in mijn eigen ritme en vertrouw ik erop dat ik de opgelopen achterstand inhaal als ik vasthoud aan mijn eigen techniek.

AB: Dat mechanisme is heel herkenbaar. Toen ik als nieuwslezer bij de radio begon, leerde ik precies hetzelfde: als je één verspreking maakt en daar te lang over nadenkt, maak je er direct daarna nog drie. Je moet jezelf razendsnel in het juiste spoor dwingen.

FJ: Dat is in de praktijk veel makkelijker gezegd dan gedaan, maar het principe is honderd procent vergelijkbaar.

AB: Laten we teruggaan naar het begin van jouw verhaal. In december 2012 belandde je in het ziekenhuis met een levensbedreigende bacterie in je bloed. Heb je destijds bewust meegekregen dat je ledematen geamputeerd moesten worden?

FJ: In eerste instantie totaal niet, want het hele proces voltrok zich in een razend tempo. De bacterie veroorzaakte een shock in mijn lichaam, met als gevolg dat mijn voeten en vingers afstierven. Ik lag gedurende die kritieke periode in een coma en heb daar niets van meegekregen. Ook in de eerste periode nadat ik bijkwam, stond ik onder zulke zware medicatie dat ik vrijwel niets registreerde. Pas aanzienlijk later drong het besef tot me door dat ik in een levensveranderende situatie zat. Ik wist vooral niet wat me te wachten stond en dat vond ik buitengewoon spannend. Ik stelde mezelf continu praktische vragen over mijn toekomst: hoe het zou gaan op school, hoe ik auto zou moeten rijden en hoe mijn sociale leven en sportieve ambities eruit zouden gaan zien. De onzekerheid over hoe ik mijn oude leven weer kon oppakken, overheerste op dat moment.

AB: Je richtte je direct op de praktische invulling van je nieuwe leven. Kun je je nog één specifiek moment herinneren waarop je je ten volle realiseerde dat jouw leven er compleet anders uit zou zien?

FJ: Er is nooit één geïsoleerd moment geweest. Het herstel verliep in vloeiende fases en door de sterke medicatie ontbrak er een duidelijk omslagpunt waarop ik helder wakker werd en de volledige omvang van de situatie overzag. Het was een heel geleidelijk proces dat zeker meerdere weken in beslag nam.

AB: Heeft die geleidelijke acceptatie je geholpen om vrede te sluiten met je nieuwe realiteit?

FJ: Dat denk ik niet; die berusting kwam pas veel later. Pas toen ik in staat was om echt terug te kijken op wat er was gebeurd, en besefte dat mijn leven inmiddels weer ontzettend leuk en waardevol was, vond ik die vrede. Tijdens het revalidatietraject heb ik daar simpelweg de tijd niet voor genomen. Men adviseerde me wel om met een psycholoog te praten en het trauma te verwerken, maar ik wilde me uitsluitend focussen op de praktische stappen. Dat emotionele proces viel me op dat moment nog te zwaar. Ik geloof absoluut in de kracht van psychologische hulp, maar ik had daar in de beginfase geen ruimte voor. Ik wilde uitsluitend vooruitkijken. Daardoor kwam de daadwerkelijke traumaverwerking pas jaren later op gang.

AB: Heb je na de amputaties ooit nog gezocht naar de ‘oude’ Fleur?

FJ: Dat heb ik werkelijk nooit meer gedaan. Ik heb in de tussentijd zoveel nieuws opgebouwd en daar zulke bijzondere dingen voor teruggekregen, dat ik me dat eigenlijk nooit meer heb afgevraagd.

AB: Je geeft aan dat de werkelijke traumaverwerking pas veel later plaatsvond. Op welk moment kwam die onvermijdelijke klap?

FJ: Ik denk zo’n drie tot vier jaar later. Pas op dat moment ontstond er voldoende ruimte in mijn hoofd om er aandacht aan te besteden. In de topsport word je continu onder hoogspanning gezet en juist in die omstandigheden komen je mentale zwakheden onvermijdelijk aan de oppervlakte. Een van de belangrijkste vaardigheden die ik mezelf had aangeleerd, was het volledig uitschakelen van mijn emoties. Als presterende topsporter weet ik precies hoe ik die knop moet omzetten en me onverstoorbaar kan focussen op mijn doel. In het dagelijks leven blijkt het echter onhandig als je bij elke vorm van druk al je emoties uitschakelt. Dat is een gedragspatroon waar ik serieus mee aan de slag moest. Binnen de sport is het cruciaal dat je je bewustzijn van je omgeving—de startblokken, het stadion, de aanwezige concurrentie—behoudt, zonder je te laten verlammen door zenuwen of paniek. De belangrijkste les die ik heb geleerd, is dat het volkomen acceptabel is om verdrietig te zijn, terwijl je tegelijkertijd inziet hoe fantastisch je huidige leven is. Die twee uitersten mogen zonder problemen naast elkaar bestaan; de ene emotie is niet superieur aan de andere.

AB: Een zeer opmerkelijke wending in jouw verhaal is dat je er een jaar na de initiële amputaties voor koos om ook je linkerbeen bewust deels te laten amputeren. Dat klinkt als een drastische, louter praktische beslissing. Hoe ben je tot die conclusie gekomen?

FJ: Het was een uiterst bewuste, praktische keuze om mijn kwaliteit van leven te verbeteren. Aan de rechterkant droeg ik reeds een prothese, maar aan de linkerkant had ik nog een halfontwikkelde voet. Dat halve voetje functioneerde beduidend slechter dan de geavanceerde prothese aan mijn andere been. Die asymmetrie hield me letterlijk in alles tegen. Ik begreep inmiddels hoe een prothese werkte en zag welke enorme technologische ontwikkelingen er gaande waren. Mijn conclusie was simpel: als een prothese mijn mobiliteit effectiever kan herstellen dan het overgebleven stukje voet, heeft dat eigen ledemaat geen toegevoegde waarde meer.

AB: Was die beslissing puur ingegeven door je ambities in de topsport, of speelde het dagelijks leven ook een rol?

FJ: Het ging me in de eerste plaats om het functioneren in het dagelijks leven. Dat overgebleven deel van mijn voet was continu pijnlijk, de wonden genazen moeizaam en het geheel was uiterst fragiel. Het beperkte me enorm in mijn bewegingsvrijheid. Als ik weer de regie over mijn leven wilde terugpakken en de vrijheid wilde ervaren die ik voor mijn ziekte had, was het voor mij overduidelijk dat dit halve voetje plaats moest maken voor een hoogwaardige prothese.

AB: Voor een buitenstaander is dat bijna onvoorstelbaar. Je hebt al zoveel fysiek leed doorstaan en dan besluit je zelf om nóg een deel te laten amputeren. Ik kan me voorstellen dat je dit in eerste instantie niet zomaar hardop durfde te zeggen.

FJ: Na alle ellende die we al hadden meegemaakt, voelde het inderdaad heel dubbel om plotseling te suggereren dat er nog meer geamputeerd mocht worden. Ik heb het besproken met mijn ouders en met mijn prothesemaker, Frank Jol. Frank is iemand met een vrije en innovatieve geest. Tot mijn verrassing reageerde hij direct positief en vond hij het een briljant idee. Dat was voor mij ook even schakelen. Hij wees me er wel op dat dit een onconventionele stap was en dat we dat zorgvuldig moesten onderzoeken.

AB: Deelde het ziekenhuis dat enthousiasme?

FJ: Absoluut niet. Zij stonden bepaald niet te springen om deze ingreep uit te voeren. Dat is volkomen begrijpelijk. Medici leggen een eed af om te genezen; je vraagt hen in feite om te snijden in een ledemaat dat in de basis gezond is, uitsluitend om er vervolgens een prothese aan te kunnen bevestigen. Dat is een zeldzame en ethisch complexe vraag. We moesten hen met stevige argumenten overtuigen van de noodzaak. Gelukkig zijn we daar uitgekomen en ben ik geopereerd door dezelfde arts die me vanaf het begin had begeleid. Hoewel de ingreep risico’s met zich meebracht—je weet immers nooit vooraf of de nieuwe amputatiewond net zo goed zal genezen als de eerste—heb ik geen moment getwijfeld. Met dat gehavende voetje zag ik simpelweg geen duurzame toekomst voor mezelf. Het was een dagelijkse, confronterende spiegel: ik zette een stabiele stap met mijn prothese, gevolgd door een wankele stap op mijn eigen voet. Elke beweging bevestigde dat ik de juiste keuze maakte.

AB: Was je op dat moment al actief bezig met de atletieksport en had je al voor ogen wat dit in de toekomst voor jou zou kunnen betekenen?

FJ: Ik had rond die tijd inderdaad al deelgenomen aan een Paralympische talentendag. Ik bezocht dat evenement uit pure nieuwsgierigheid, om te ontdekken welke sporten er überhaupt mogelijk waren en of ik mensen met vergelijkbare protheses kon spreken. Tijdens die dag werd ik opgemerkt door de bondscoach van de atletiekselectie. Ik moest hem helaas vertellen dat ik nog niet veel kon betekenen, omdat mijn andere been nog geamputeerd moest worden. Zijn reactie was goud waard. Hij gaf me zijn visitekaartje en zei: “Bel me maar zodra dat been eraf is.” Ik kon die nuchtere en directe benadering enorm waarderen. Hij behandelde me als een serieuze, potentiële sporter. Dat is een tactiek die bij mij altijd perfect werkt.

AB: In hoeverre was je in die periode nog op zoek naar je nieuwe identiteit na de amputaties?

FJ: Achteraf gezien denk ik dat atletiek in dat proces de doorslaggevende factor is geweest. De fysieke ontwikkeling die ik op de atletiekbaan doormaakte, gaf me niet alleen fysiek, maar ook mentaal enorm veel kracht. Ik merkte letterlijk van week tot week hoe ik sneller werd en hoe mijn prestaties verbeterden. Het gaf een geweldig gevoel om zelf verantwoordelijk te zijn voor dat succes. Dat progressieve aspect werkte bijna verslavend. Atletiek is in de basis een heel pure en overzichtelijke sport. De stopwatch en het meetlint liegen niet. Er is geen jury die jouw prestatie subjectief beoordeelt; als jij aantoonbaar harder rent dan voorheen, doe je het gewoon goed. Dat harde, meetbare systeem bracht structuur in mijn leven. Zolang je gefocust blijft op je eigen ontwikkeling en die stappen daadwerkelijk zet, ben je op de goede weg. Topsport is onverbiddelijk en de feiten weerspiegelen onmiddellijk of je vooruitgang boekt, wat het een eerlijke weergave van je inzet maakt.

AB: Tegenwoordig excelleer je op de honderd meter en het verspringen. Je begon je atletiekcarrière echter met de combinatie van de honderd en tweehonderd meter. Waarom heb je dat onderdeel destijds laten vallen ten gunste van het verspringen?

FJ: Ik startte inderdaad uitsluitend met de sprintafstanden. Uiteindelijk werd de tweehonderd meter voor mijn classificatie geschrapt van het paralympische programma. Omdat de bondscoach me al had aangespoord om na te denken over het verspringen, leek dat een logisch alternatief. Het opmerkelijke was dat er op dat moment in de vrouwencompetitie wereldwijd niemand versprong op twee zogeheten blades. Bij de mannen was er welgeteld één atleet die het deed. Ik vond het er altijd angstaanjagend en gevaarlijk uitzien en had het idee bewust voor me uitgeschoven. Maar nadat de tweehonderd meter kwam te vervallen, hield ik nog maar één onderdeel over. Het off-season bood de ideale gelegenheid om nieuwe dingen te proberen. Tijdens een trainingskamp in Polen waagde ik, min of meer voor de grap en buiten de reguliere training om, een sprong in de zandbak. Tot mijn eigen verbazing voelde ik onmiddellijk aan wat de bedoeling was en begreep ik het ritme van de aanloop. Ik zette direct een zeer verdienstelijke afstand neer.

AB: Hoe leer je jezelf een volledig nieuwe techniek aan? Hoe kun je überhaupt effectief verspringen op twee blades?

FJ: Dat was pionieren, vooral omdat ik geen voorbeelden had. Ik kon niet kijken naar hoe andere vrouwen in mijn situatie dit deden. Zelfs ik, die pas net in de topsport meedraaide, werd direct beïnvloed door het gebrek aan een referentiekader. Ik kwam er echter achter dat verspringen voor een groot deel om ritme draait. Er zit een vaste structuur in het opbouwen van je aanloop en die structuur is sterk geritmeerd. Dat aspect sprak me enorm aan. Vlak voor de daadwerkelijke afzet heb je een specifieke ritmische voorbereiding, die ik waarschijnlijk onbewust heb meegenomen uit mijn eerdere danservaring. Ik had dat patroon razendsnel door. In het begin begrepen mijn teamgenoten en concurrenten niet waarom ik ogenschijnlijk zo lang in de lucht leek te hangen. Achteraf besefte ik pas dat ik een natuurlijk talent had voor die zweeffase. Daardoor kon ik met een gerust hart dit onderdeel aan mijn repertoire toevoegen.

AB: Het gebruik van die atletiekblades is voor veel mensen een fascinerend fenomeen. Hoe voelt het om daarmee te lopen en te springen? Reageren ze als een soort springveer, of zijn ze juist heel stijf en rigide?

FJ: Het is een combinatie van beide eigenschappen. Als je de blades technisch correct gebruikt, leveren ze een enorme hoeveelheid energie. Uiteindelijk is het wel dood materiaal; de energie die je eruit wilt halen, zul je er eerst zelf in moeten stoppen. In de beginfase voelde het alsof ik op een skippybal rondsprong, het was vooral ongecontroleerd stuiteren. Ik merkte al snel dat recht vooruit rennen met dat materiaal een behoorlijke uitdaging is. Maar zodra je leert om de opgewekte energie te kanaliseren, merk je dat de stijfheid van de blade in je voordeel werkt. Hoe fysiek sterker ik word, hoe meer kracht ik op het materiaal kan overbrengen en hoe soepeler ik kan versnellen. De constante zoektocht naar de perfecte afstelling in relatie tot mijn eigen krachtontwikkeling vormt een continu proces in mijn trainingen.

AB: Je hebt weleens de uitspraak gedaan dat keihard trainen het makkelijke gedeelte is, en dat presteren het ware obstakel vormt. Iemand anders bepaalt immers dat jij op een specifieke dag exact om kwart over acht moet pieken. Hoe ga je om met de zwaarte van zo’n verplichte topprestatie?

FJ: Dat is absoluut een leerproces geweest. Inmiddels kan ik er enorm van genieten. In de beginjaren van mijn topsportcarrière maakte ik het allemaal veel te groot in mijn hoofd. Ik creëerde de illusie dat alle omstandigheden honderd procent perfect moesten zijn—van mijn slaapritme tot mijn voeding—om goed te kunnen presteren. Dat brengt ontzettend veel onnodige spanning met zich mee. Tegenwoordig benader ik het veel rationeler. Ik weet dat mijn basistraining uitstekend is en dat ik mijn plek in de finale heb afgedwongen met hard werken. Op het moment dat ik aan de startlijn sta, zie ik het louter nog als een moment om mezelf te meten. Ik zet mijn handen achter de lijn en bewijs aan de wereld, en vooral aan mezelf, waartoe ik op dat moment in staat ben.

AB: Hoe vind je de motivatie tijdens het off-season? In de donkere wintermaanden, wanneer de temperatuur daalt en het regent, lijkt het me lastig om dat ijzeren ritme vast te houden.

FJ: De wintermaanden kunnen zeker ongezellig en pittig zijn. Toch is dat juist de periode waarin de fundering voor het nieuwe wedstrijdseizoen wordt gelegd. We ontkomen er niet aan. Gelukkig train ik binnen een bijzonder gedreven team onder leiding van een fantastische coach. Zij zorgen ervoor dat de motivatie hoog blijft, zelfs als de omstandigheden tegenzitten. We draaien wekelijks zo’n tien trainingen. Mijn enige vaste rustdag is de zaterdag. De overige dagen zijn strak ingepland met sprintsessies, verspringtrainingen, krachttraining en specifieke uithoudingsvermogenssessies. Tussendoor moet je ook tijd vrijmaken voor de fysiotherapeut en het fysieke herstel.

AB: Naast die tien trainingen per week volg je ook nog een academische studie. Je studeert Communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Ligt die studie momenteel stil of ben je daar nog volop mee bezig?

FJ: Ik studeer nog steeds. Ik ben momenteel bezig met het schrijven van mijn scriptie. Hoewel de topsport te allen tijde prioriteit krijgt, merk ik weleens dat mijn studie de prijs betaalt voor mijn sportieve verplichtingen. Het vereist strakke planning en offers. Toch vind ik de intellectuele prikkel belangrijk en ben ik vastbesloten om deze opleiding succesvol af te ronden, hoe lang het ook mag duren.

AB: Naast je topsportcarrière en je studie ben je, samen met je coach en teamgenoot Marlène, ook de stichting Team Para Atletiek gestart. Vanwaar de drang om naast al je verplichtingen een maatschappelijk project op te zetten?

FJ: Wij deelden de overtuiging dat we met onze positie in de sport een grotere maatschappelijke impact wilden creëren. We misten structuur en toegankelijkheid in de parasport. We voelden de urgentie om de gehandicaptensport naar een hoger plan te tillen, niet alleen voor de topsport, maar juist ook in de breedte. We organiseren trainingen voor kinderen en volwassenen met een beperking. Het is ontzettend waardevol om te zien met hoeveel plezier zij op de baan staan en hoe ze vooruitgang boeken. Op termijn hopen we deze initiatieven verder uit te rollen door het hele land. Het hoofddoel van onze stichting is het normaliseren van de parasport.

AB: Op jullie website staat een prachtig geformuleerd manifest. Jullie ambiëren om een onuitputtelijke bron van inspiratie te zijn, grenzen te verleggen en te streven naar een samenleving met onbeperkte vrijheid en inclusiviteit. Dat is een ambitieuze missie. Hoe hopen jullie deze idealen in de praktijk te realiseren?

FJ: Het is inderdaad een grootse ambitie, maar we geloven er heilig in. We hebben dit manifest op een avond opgesteld en het bevat al onze idealen voor de toekomst van de sport. Praktisch gezien draait het om zichtbaarheid, toegankelijkheid en het bieden van de juiste begeleiding. We willen de sport professioneler en toegankelijker inrichten. Door grote, in het oog springende evenementen te organiseren en breedtesport te faciliteren, hopen we de drempel structureel te verlagen. Als we dit succesvol weten op te schalen, kunnen we daadwerkelijk een verandering in de maatschappij teweegbrengen.

AB: Hoe beoordeel jij de huidige maatschappelijke beeldvorming rondom gehandicapte sporters? Krijg je de erkenning voor de pure topsport die je bedrijft, of ligt de focus nog te vaak op het overwinnen van je handicap?

FJ: Ik focus me in eerste instantie simpelweg op mijn prestaties op de baan, en ik hoop dat het publiek de esthetiek en de ongekende kracht van de sport gaat waarderen. Niettemin erger ik me weleens aan de manier waarop parasporters in de media worden geportretteerd. Het vertrekpunt in artikelen is vaak de handicap en het bijbehorende persoonlijke drama, terwijl de indrukwekkende atletische prestatie onderbelicht blijft. Wij zijn topsporters die uitzonderlijke prestaties leveren en daar keihard voor trainen. De protheses zijn slechts het instrument waarmee we die sport beoefenen. Ik strijd ervoor dat parasport primair beoordeeld en gewaardeerd wordt op basis van topsportcriteria. Die mentaliteitsverandering moet nog verder doorsijpelen.

AB: Je legt jezelf naast je sport en studie dus ook nog een aanzienlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid op. Voel je daardoor niet te veel druk?

FJ: Ik zie het niet als een drukkende verplichting, maar veeleer als een prachtige kans om mijn verantwoordelijkheid te nemen. Het klopt dat ik het druk heb, en soms merk ik dat ik met te veel projecten tegelijk bezig ben. Als het te veel dreigt te worden, durf ik dat tegenwoordig ook tijdig aan te geven. Dan moet een afspraak of een interview weleens plaatsmaken voor mijn eigen rust. Het bevorderen van de parasport is een langetermijnvisie die ik met liefde combineer met mijn sportieve doelen. Zolang ik het kan overzien en het me energie oplevert, blijf ik me er voor de volle honderd procent voor inzetten.

AB: Is er weleens een moment geweest waarop je twijfelde over de volgende stap in je carrière, of waarbij je het spoor even volledig bijster was?

FJ: Ja, rond de periode van 2018 en 2019 heb ik echt geworsteld. Ik kampte met een zware blessure aan mijn stomp, wat me dwong tot een nieuwe operatie. Dat resulteerde in een langdurig en frustrerend revalidatieproces, waarbij ik weer helemaal van de grond af aan moest opbouwen. In die periode twijfelde ik oprecht of ik ooit nog het absolute topniveau zou halen en of ik de toewijding kon opbrengen om die lijdensweg nogmaals te doorstaan. Uiteindelijk gaf het verspringen, waar ik kort daarna mee begon, me de frisse motivatie om de knop weer om te zetten. Het feit dat ik plotseling ergens zo talentvol in bleek te zijn, gaf me de overtuiging dat ik weer kon meedraaien op het hoogste niveau.

AB: Je brak wereldrecords, won goud bij het verspringen op de Paralympische Spelen in Tokio, en toch werd je vierde op de honderd meter. Kun je na afloop van zo’n toernooi dan daadwerkelijk vrede hebben met je prestaties?

FJ: De gouden medaille op het verspringen was een gigantische doorbraak en daar ben ik waanzinnig trots op. Maar ik ben ook genadeloos voor mezelf: ik werd inderdaad vierde op de honderd meter. Ik heb een enorme winnaarsmentaliteit en wil op elk onderdeel de absolute nummer één zijn. Die vierde plek beschouw ik daardoor nog steeds als een persoonlijk verlies. Ik heb in mijn carrière te vaak naast het podium gestaan om genoegen te nemen met een plek buiten de medailles. Dat levert een onverzadigbare drang op. Zolang ik voel dat er ruimte is voor verbetering en ik sneller of verder kan, blijf ik de grens verleggen. Ik heb recent het wereldrecord op de honderd meter verbroken naar een tijd van 12.02 seconden. Het doel is nu uiteraard om onder die magische grens van twaalf seconden te duiken, en hetzelfde geldt voor het passeren van de zeven meter bij het verspringen. Ik wil simpelweg ontdekken waar het eindigt.

AB: Zowel in je privéleven na je operaties als in de topsport heb je grote uitdagingen gekend. Vind je het moeilijk om hulp in te schakelen wanneer dat nodig is?

FJ: Ja, ik ben van nature iemand die alles het liefst zelf oplost. Vroeger wilde ik altijd de regie behouden. In de topsport word je er echter hardhandig mee geconfronteerd dat je niet alles zelf kunt. Je bent afhankelijk van de expertise van coaches, medisch specialisten en de steun van je omgeving. Ik heb door schade en schande moeten leren om taken te delegeren en kwetsbaarheid te tonen. Als ik één cruciaal advies mag geven aan mensen die met een levensontwrichtende situatie worden geconfronteerd: neem je tijd. Gun jezelf de onverdeelde ruimte om het proces op jouw unieke manier te doorleven. Het is verleidelijk om direct door te willen pakken, maar overhaast niets. Ga in gesprek, onderzoek wat specifiek voor jou werkt en sta jezelf toe om af en toe stil te staan. Uiteindelijk vind je je eigen weg, maar dat vergt geduld en de bereidheid om steun van anderen te accepteren.